19650923a Matthijs Vermeulen aan Thea Vermeulen-Diepenbrock

Matthijs Vermeulen

aan

Thea Vermeulen-Diepenbrock

Amsterdam, 23 september 1965

Donderdagmorgen

23-9-65

Lieve liefste,

Vanochtend, nauwelijks goed wakker, pas "getemperatuurd" (zoals dat schijnt te heten) en mijn thee pas ingeschonken, komt daar een zuster binnen die me onmiddellijk in bad wil stoppen, want het was zo geregeld, de drie kamers moesten van ochtend in bad. (Een model-zin voor een buitenlands vertaler om er een kwartier op te tobben, gelijk die van Odilia onlangs.) Het was onder de zusters degene, die mij, op de eerste avond hier, beweerd had dat men alle wereldse zaken hun beloop moest laten, dat er altijd oorlogen geweest waren en altijd zouden zijn. 'Zij is "in de staf" zoals men hier dat noemt' zegt mij Fiekie, die juist binnen stapt met het ontbijt, dat ik eerst maar verorberen zal aleer ik verder ga.

Ziezo. Ik heb me natuurlijk resoluut verzet tegen die onderdompeling, te meer omdat zij te kennen gaf dat zijzelf mij de rug wou wassen.

En kijk. Ik wou juist schrijven dat ik het pleit niet zonder moeite gewonnen had, en daar sluipt de werkvrouw binnen met haar zeepemmer. Ik naar het zonnig plekje van gisteren. Ik vond er het gras bepareld maar de bank nog kletsnat. Dan maar terug naar de hall van ons WGasthuis. Want ik moet je straks toch een papier met letters mee te geven hebben. Ik was gisteravond niet bekwaam. Veel aanvallen van pijn, om de twintig minuten, waaronder lange en heel hevige, tot ik een half uur in bed lag. Vanochtend nog geen last gehad, gelukkig.

Ik had zo graag naar verdienste gereageerd op het lieve briefje dat je mij achterliet gisteren. Wij dachten hetzelfde, en, geloof ik, misschien op hetzelfde moment. Ik heb altijd die ervaring gehad – sinds we uitwisselingen doen – : jij, ergens achter in mijn hoofd en alles meemakend, beoordelend wat er in mij gebeurt en met mij gebeurt. Ik weet niet of ik het je ooit zo precies gezegd heb. In ieder geval is het zo sinds lange tijd, en ik hoef maar te denken aan de ontelbare keren, dat ik op de Herengracht uit het raam gehangen heb, als je weg was, en gespeurd heb naar je gestalte, om me te vergewissen en te bewijzen hoe sterk je in mij aanwezig bent. En in de andere zijde van de werkelijkheid – de onzienbare, de onvatbare, de regioon der golven – ben ik permanent met je bezig je opinie vragend, je een bevinding overbrengend, je raad inwinnend, en zo ononderbroken elk moment van het bewustzijn zolang daar iets waarneembaar is. Daarom ook is het mij altijd bijzonder moeilijk geweest om niet "in harmonie" met je te zijn. Maar vooral wegens jouw indulgentie, zijn die vertroebelingen beperkt geweest en schaars, gelukkig voor mij.

Terwijl ik me over de moeilijke, subtiele zaken probeer uit te spreken, heeft zich nog menigmaal een hoofd vertoond door de kier van de deur. Ik heb nog nimmer ergens gewoond waar het ongestoord blijven zo weinig verzekerd was, en waar ik me zo bespied voelde. Afijn, als ik op een zaal lag zou het mij duizend maal erger zijn – Daar is de koffie waarachtig! Tien uur nu. Ik begin maar geen nieuwe alinea, en ga, lezend, wachten op mijn liefste.

Verblijfplaats: Amsterdam, Bijzondere Collecties UvA