19520217 Rudolf Escher aan Matthijs Vermeulen

Rudolf Escher

aan

Matthijs Vermeulen

Amsterdam, 17 februari 1952

Amsterdam 17 Febr. 1952

Beste Matthijs,

Ook zonder mijn verzekering zal het je duidelijk zijn dat ik je stuk over de "Hymne du grand Meaulnes" met blijdschap las. Ik had werkelijk niet durven hopen dat je van de matte uitvoering in den Haag deze indruk zou krijgen. Ik ben ook blij dat je van Otterloo niet te hard hebt beoordeeld, want hij is zeker niet de oude. Of hij van huis uit ten volle gedisponeerd is voor dit soort muziek? Ik weet het niet en vrees van niet. Een feit is, dat hij indertijd met het U.S.O. mijn "Musique pour l'esprit en deuil" magnifiek gemaakt heeft. Nu stelt dat werk de uitvoerenden inderdaad niet voor de moeilijkheid der Hymne, de enige moeilijkheid eigenlijk van dit werk, te weten: de noodzaak van een orkestraal zingen van meerdere stemmen gelijktijdig. Maar anderzijds staat het toch lang niet zover van mijn recente werken af als men allicht zou denken. Alleen een veel horen van die werken, van alle werken, zou dit aan het licht kunnen brengen. Het is echter evenzeer een feit dat de "Hymne" – door wat voor redenen ook –lang niet geklonken heeft zoals het moest, omdat de "Sacre" in de weg zat, liever: omdat de Hymne de Sacre in de weg zat. Tu comprends?

Weet je wat ik mij bewust ben geworden na het horen van mijn Hymne, maar vooral na het lezen van je mooie karakteristiek: "een..... grafschrift dat ik ergens vond in de onvoltooid verleden tijd,..."? Dat ik nog een "deuxième Hymne du grand Meaulnes" zal moeten schrijven, gedeeltelijk met dezelfde thematiek en met een even verstild slot, doch thans de evocatie van een in witte helderheid tot extase aanzwellend geluksgevoel, culminerend in "la fête étrange", zingend van uit een onvoltooid verleden naar een nooit voltooibare toekomst. Besef je wel hoeveel Sologne in mijn Hymne leeft? Eens, in de avondschemer na onze dagtocht terug fietsend naar Salbris, doornat van de regen, langs zwarte calvaires en eenzame platgewrongen boerenwoningen onder een zacht gekleurde regenhemel, heb ik de polymelodische structuur van deze muziek gehoord, en ik vergat er alle moeheid door. Dat was in de zomer van 1950, onvergetelijk... Ik hoop dat van Beinum de muziek nog eens zó laat klinken dat ik mijn verrukkingen van toen werkelijk terug vind.

Wees beiden hartelijk gegroet,

je

Rudolf

Verblijfplaats: Amsterdam, Bijzondere Collecties UvA