19491030 Ada van Gilse-Hooijer aan Matthijs Vermeulen

Ada van Gilse-Hooijer

aan

Matthijs Vermeulen

eind oktober 1949

Geachte Heer Vermeulen

Zoo juist las ik uw stuk aan Rudolf Escher – (ik ken hem goed, wij waren maanden daar ondergedoken) – en nu voel ik behoefte u iets te schrijven. Ik ben de laatste mij te voelen als iemand die een oordeel mag hebben, en ik ben slechts een intuïtief dilettant, maar ik stel mij zonder vooroordeel open voor een nieuw werk, en zooals ik u dien avond al zei ik was zeer geboeid door uw werk en had maar eèn wensch het nog eens herhaaldelijk te hooren. Ook heb ik mij grenzeloos geërgerd aan dat wegloopende publiek! ook later aan de wijze critici.

Ik sta wonderlijk alleen in mijn gevoel tegenover deze sinfonie maar dat heeft geen invloed op mij. Het is mij een behoefte u dit even te zeggen want ik weet dat een bescheiden maar eerlijke uiting uit dit wonderlijk conglomeraat "het publiek" toch een componist niet onwelkom kan zijn.

Dit staat niet in verband met hetgeen waarover ik bij u wilde komen – het moest mij even van 't hart – spontaan zooals ik ook 's avonds in de solistenkamer was.

Maar Mijnheer Vermeulen, "de harmonische ruimtelijkheid" was het juist die ik meende te voelen, al zou ik het niet zoo uitgedrukt hebben – het is zoo moeilijk het juiste woord voor iets te vinden voor mij.

Ik stoor u niet verder – maar dit moest er even uit.

Haast u niet mij te laten komen, alleen als u eens lust en tijd hebt.

Met vriendelijke groeten ook aan uw vrouw

uw

Ada van Gilse

Verblijfplaats: Amsterdam, Bijzondere Collecties UvA