MATTHIJS VERMEULEN

Componist, schrijver en denker

19491030 J. Oostenbroek aan Matthijs Vermeulen

J. Oostenbroek

aan

Matthijs Vermeulen

Amstelveen, 30 oktober 1949

Amstelveen, 30 Oct. '49

Geachte Heer Vermeulen,

Zo juist heb ik in "de Groene" Uw brief aan Rudolf Escher gelezen en mij bekruipt de lust, U te schrijven. Welaan, laat ik eens aan deze impuls gevolg geven. Van Uw muziek ken ik geen noot en hoewel ik in een muzikaal milieu ben opgegroeid, ken ik mezelf genoeg om te weten, dat ik van Uw werk niets zou begrijpen.

Maar reeds in Uw "Telegraaf" tijd heb ik altijd met groot genoegen Uw muziekrecensies gelezen en ook thans sla ik uw beschouwingen in "De Groene" nooit over. Ik begrijp, dat Uw gehele leven een heftige worsteling is en dat U dus hoofdzakelijk teleurstellingen zult hebben ondervonden.

Maar wat wilt U?

Wanneer iemand mij in een voor mij vreemde taal toespreekt, kan hij me de schoonste dingen vertellen, maar ik versta er geen woord van. Wil ik het leren verstaan, dan zal ik de moeite moeten nemen, om die taal te leren. Ben ik daar te lui voor, dan zal mij misschien veel schoons ontgaan. Ben ik niet alleen lui, maar bovendien nog dom, dan zeg ik, dat die vent onzin uitkraamt.

En nu spreekt U de mensen toe in een geheel nieuwe en dus voor hen onverstaanbare muziek-taal. Natuurlijk verstaan zij die niet, ook de critici niet. Want ook de muziek-taalkennis van de criticus is beperkt.

Zij zullen de moeite moeten nemen, om Uw taal te bestuderen. Enkele verstandigen schijnen daar iets van te begrijpen. Maar de meesten zijn dom en zeggen: "die vent kletst onzin".

U hebt alle recht om daar de schouders over optehalen en met frisse moed uw worsteling voorttezetten, hetgeen U natuurlijk doen zult, want u kunt evengoed uw ademhaling stopzetten. De wereld heeft worstelaars zoals U brood nodig en ik schrijf U dan ook alleen, omdat ik voor mij zelf behoefte heb, U een blijk van sympathie te geven, waarbij het mij weer niet interesseert, of dit enige waarde voor U heeft, of dat U met een "die vent is gek", dit epistel in de kachel gooit. (Nee, nu lieg ik toch een beetje; ik hoop toch, dat het U een welwillende glimlach ontlokt).

Het zal U hoogstwaarschijnlijk niet gegeven zijn, waardering voor uw werk te beleven. Dat is wel hard, maar voor de wijsgeer toch wel te overwinnen.

De hoofdzaak is, dat U het werk geschapen hebt. U hebt zich naar de ziel voortgeplant. De meeste mensen doen het alleen maar lichamelijk.

U geen (bedenkelijk) succes, maar wel grote werkkracht toewensend

Hoogachtend

J. Oostenbroek

J. Oostenbroek

Mr. Reijnstlaan 1

Amstelveen

Verblijfplaats: Amsterdam, Bijzondere Collecties UvA