en fr de

Excerpten uit Vermeulens biografie over zijn werk voor De Gids (1927-1928) en voor het Soerabaisch Handelsblad (1926-1940):

In het voorjaar van 1926 had Chris [= Vermeulens broer Christian van der Meulen] het correspondentschap in Parijs aanvaard voor een krant in Nederlands-Indië, het Soerabaiasch Handelsblad. Nog vóór hij zijn eerste artikel schreef, besloot hij evenwel op een aanbod in te gaan leraar te worden aan het gymnasium te Haarlem, een beter betaalde en vaste baan. Hij stelde Matthijs voor het correspondentschap over te nemen. Vermeulen, die het de best denkbare oplossing vond van zijn financiële problemen, ging direct op het voorstel in en stuurde binnen een week drie proefstukken om de redactie van zijn kwaliteiten te overtuigen. Vooruitlopend op een aanstelling beëindigde hij opgelucht het stempelwerk voor de Néocopie Musicale.

            Er was Vermeulen veel aan gelegen de baan te krijgen. De artikelen die hij ter beoordeling inzond zitten vol journalistiek raffinement: het zijn vlot geschreven causerieën met een trefzekere, bijna boulevardblad-achtige toon, afwisselend in de keuze van de onderwerpen, gemaakt om het publiek in de tropen tijdens de lange siësta’s te boeien en geschikt voor small-talk op theekransjes en society-avonden. Vermeulen, die met deze kant van de journalistiek nog geen ervaring had, weet direct de vereiste lichtheid te vinden. Aan niets is te merken dat de schrijver in moeilijke omstandigheden verkeert en met de grootste inspanning het hoofd boven water moet zien te houden. De lezers krijgen een plastisch beeld voorgezet van Parijs en de Franse samenleving door de ogen van een opmerkzaam en scherpzinnig toeschouwer met een groot gevoel voor humor, terwijl tegelijkertijd zijn kritiek op de groteske ontoereikendheid van het Franse gouvernement en zijn gedegen kennis van de internationale politiek vanaf de allereerste alinea opvallen.

            In het openingsstuk ‘Het Paradijs der Gekken’, door Vermeulen geredigeerd als een soort reiswijzer voor Indische verlofgangers die op weg naar Nederland een bezoek aan Frankrijk wilden gaan brengen (men ontscheepte in Marseille), stelde hij en passant de hoge belastingen, de slecht functionerende, onrendabele staatsmonopolies en de belachelijk lage ambtenarensalarissen aan de kaak. Daarnaast waarschuwde hij: ‘Als ik een gids moest schrijven, ik zou beginnen bij de lucifers. Lach niet. Het zijn de kleine dingen die grote gevolgen hebben. Neem als een der eerste levensregels het beginsel: Strijk steeds van u af. De helft der Franse lucifers bestaat uit stokjes hout zonder de minste ontvlambaarheid. De andere helft heeft koppen, welke niet alleen ontvlambaar maar voor een groot deel ontplofbaar zijn en die, als gij ze niet van u afzendt, u in de kleren, in de haren, in het gezicht vliegen. Er zijn lieden, die met een onnozele lucifer (een der Staatsmonopolies welke met verlies werken) een oog verloren hebben.’[1]

            Het tweede stuk begint met een lofzang op de natuur. Parijs is van een grote bekoring in de lentezon, die ‘alles hernieuwt en zo goed is om elke dag terug te komen te midden der seringen, der anemonen, der Hollandse tulpen op de Place du Carroussel, te midden van al het ontwakende groen’. Ook buiten de stad is het prachtig dankzij ‘die sprookjesachtige appel- en perenbomen, welke men reeds in de Paasweek tot vlak onder de rook van Parijs kon bewonderen: een korte knoestige stam, nog geen blaadje groen, maar de geweldige kruin één straling van wit, één reusachtige sneeuwbal’. Vervolgens maakt Vermeulen een reuzenzwaai en gebruikt hij een revue van de beroemde schrijver-regisseur Sacha Guitry om de hoofdpersonen van het Franse politieke toneel te introduceren. (Hij zal ze gedurende veertien jaar op de voet volgen.) Guitry’s populaire revue voerde – geïnspireerd op Molières toneelstukken met eigenzinnige doktoren aan het bed van een hulpeloze patiënt – de leidsmannen van de Franse socialistische partij ten tonele die zich met veel zwaarwichtigheid, maar zonder zichtbaar resultaat bemoeiden om de zieke en stervende Marianne, symbool voor Frankrijk: de ‘onheilspellende’ Poincaré, goed in het afsteken van redevoeringen; Herriot, ‘buikig, rond als een bloedworst, schijnheilig’; Painlevé, ‘verstrooid als altijd, hulpeloos, ontredderd’; Briand, ‘lamlendig, slofferig, zwetserig, die rondkijkt, praat, en de zaken op haar beloop laat.’ Ten slotte de kersverse fractieleider der socialisten, Léon Blum: ‘Hij loopt als een nachtwandelaar, of als iemand, die uit de Seine is opgevist. Hij loopt zonder botten. Dokter Blum neemt temperatuur op, spreekt met de vingers op de lippen een paar vage en orakelende woorden en verdwijnt.’

            In Vermeulens beschrijving breekt een ernstige en donkere toon door, als hij, naar aanleiding van Guitry’s conclusie dat de doktoren niets voor de patiënt hebben kunnen uitrichten, zijn eigen afweging maakt van de lichtzinnige daden der bewindslieden, daarmee doelend op een militaire actie tegen opstandige Druzen in het protectoraat Syrië die aan Franse kant grote verliezen had gekost: ‘De revue-scène van Guitry geeft dezelfde bittere, wrange klank als een consult der beunhazige marktschreeuwers bij Molière. Met dit fantastische verschil, dat Molières kwakzalvers hun patiënten één voor één om zeep brachten, dat de politicasters rondom het bed van Marianne hun slachtoffers tegenwoordig bij series, bij troepen, bij legerkorpsen naar de andere wereld sturen.’[2]

            In het derde artikel nam Vermeulen weer een heel ander onderwerp ter hand en schreef hij over de schilders van wie hij werk had gezien op een tentoonstelling van Nederlandse kunst in Parijs: Jan Toorop, Matthieu Wiegman, Leo Gestel, Willem Adriaan van Konijnenburg, Jan Mankes, Pieter van der Hem en Jan Sluyters. Hij was er naar toe gegaan, denkend ‘aan verschillende oude bewonderingen, meegenomen uit het vaderland en tot dusverre niet meer getoetst, bewonderingen welke daar een por kregen, waarvan zij wakker moesten worden, of dood moesten gaan’. De meesten doorstonden de toets; vooral over Toorop sprak Vermeulen zich lovend uit. Ook brak hij een lans voor het werk van Van Gogh dat op de tentoonstelling geheel ontbrak.

            De artikelen vonden waardering bij de redactie en werden in juni gepubliceerd; Vermeulen kon aan zijn nieuwe betrekking beginnen. Er werd een honorarium overeengekomen van f 37,- per stuk. Voor een regelmatig inkomen hoopte Vermeulen op wekelijkse plaatsing, wat aanvankelijk nog niet het geval was. Hij hulde zich in een pseudoniem en ondertekende met Hugo Reynst. Bij de keuze van zijn onderwerpen moest hij ver vooruit denken, want de stukken gingen per mailboot naar Indië en kwamen pas na vier weken aan. Anders dan pure berichtgeving moesten zij boven de actualiteit uitstijgen. Ook diende hij rekening te houden met de samenstelling van zijn publiek. Als belangrijkste zeehaven van het gebied was Soerabaia het economisch centrum van Java en had het met zijn 350.000 inwoners de allure van een metropool. De lezers die in handel, nijverheid, industrie en scheepsbouw werkten, waren zeker in onderwerpen geïnteresseerd die het internationale zakenleven betroffen. Daarom taxeerde Vermeulen regelmatig de ontwikkelingen in de financiële wereld: hij volgde de beurs op de voet en bestudeerde de jaarverslagen van grote ondernemingen. (Zo wees hij eind 1926 reeds op ‘de eerste aanduidingen van het naderend economisch onweer’.[3]) Maar vooral gaf Hugo Reynst informatie over andere aspecten van het leven aan de overzijde van de wereld: theater, letterkunde, techniek en wetenschap, historische onderwerpen, nieuwe types automobielen en vliegtuigen, sport, misdaden, mode en faits divers.

            Een belangrijk onderwerp was de binnen- en buitenlandse politiek van Frankrijk. Vanaf het begin van zijn correspondentschap stak Vermeulen zijn sympathie en mededogen voor het Franse volk, waarvan de belangen naar zijn mening slecht behartigd werden door de bestuurderen, niet onder stoelen of banken. De bevolking ging gebukt onder de economische gevolgen van de oorlog van ‘14-’18. Frankrijk zat opgescheept met een verwoest en door mijnen onbruikbaar noordelijk deel van het land (vanouds een belangrijk landbouwgebied), met honderdduizenden invaliden die van een pensioen voorzien moesten worden en met de aflossing van torenhoge Amerikaanse oorlogsleningen. Om deze problemen adequaat aan te pakken was een capabel bestuur nodig, dat de belastingen goed zou besteden en het land geleidelijk weer welvarend maken. Maar zoals het er nu aan toeging, met onophoudelijke kabinetswisselingen waarbij steeds dezelfde mensen op andere ministersposten kwamen, was er, vond Vermeulen, geen enkele verbetering te bespeuren. Wat de internationale verhoudingen betrof, vond hij de agressieve houding van Mussolini tegen Frankrijk verontrustend. Ook vreesde hij dat de talloze frustraties, opgedrongen aan de naties door het Verdrag van Versailles, tot rampzalige gevolgen zouden leiden.

 
 

[artikel over Beethoven in De Gids dat ook in het Soerabaisch Handelsblad verscheen]

Het is niet verwonderlijk dat het Beethoven-artikel veel indruk maakte. Het geïnspireerde stuk is een synthese van essayistische redeneerkunst en psychologische beschrijving, geconcipieerd vanuit een lyrische bevlogenheid, en als zodanig uitzonderlijk in de muziekjournalistiek van die dagen. Vermeulen geeft aan welke de eigenschappen zijn die Beethoven tot de unieke persoonlijkheid maken wiens muziek door niemand te imiteren valt, en hij verklaart waarom de stem van Beethoven mensen van alle tijden, rangen en standen aanspreekt, welke richting de ideeën over kunst ook zullen innemen. De universele aantrekkingskracht van Beethoven ligt, aldus Vermeulen, in zijn vermogen om te midden van ellendige omstandigheden – ziekte, pijn, doofheid, eeuwige geldzorgen – een muziek te scheppen, waardoor ‘wij zweven, buiten alle ruimte, buiten alle afstanden, buiten alle beperkingen, in een besef van geluk, dat wij ternauwernood nog waarnemen’. Componisten vóór Beethoven waren hiertoe nog niet in staat. ‘Men kon vermoeden dat deze vermengeling van het opperste zintuigelijke en het opperste onzintuigelijke mogelijk was, maar in Beethoven werd zij voor de eerste keer werkelijkheid.’ Beethoven bereikte dat door een minimum aan melodisch-ritmisch materiaal naar een maximum aan expressie op te stuwen (‘hij gebruikt het minst, om uit te drukken het meest’), wat enerzijds ascese vergt, anderzijds een ongekende innerlijke gloed. Ondanks de kommer van het bestaan zong Beethoven alsof niets hem deerde. ‘Zijn tederlijk geïntoneerde cantilenen klimmen bijna steeds naar het gebed, van het gebed naar de adoratie, van de adoratie naar de extase. De laagste trap zijner expressie is de overpeinzing vol genegenheid. De hoogste, en waar hij het liefst vertoefde, is de vervoering: de vervoering in de stilte of de vervoering in de storm.’ Deze vervoering stond voor Vermeulen gelijk aan de zevende hemel van de grote mystici; sterker nog: ‘Ik weet niet of de toppen der mystici hoger stijgen dan de toppen van Beethoven; ik weet alleen dat Beethoven de enige is die mij de belofte der mystici vervult.’

            Van nature kwam bij Vermeulen, wanneer hij zich afstemde op zijn onderwerp, een proces van vereenzelviging op gang. Duidelijk is dat te proeven uit het Beethoven-artikel, waarin hij blijk geeft van zich in te kunnen leven in de gedachten, gevoelens en overwegingen van de grote kunstenaar. Het gaat hier echter om méér dan alleen maar verbeeldingskracht en inleving in Beethovens situatie. Waar Vermeulen het langdurige en moeizame scheppingsproces beschrijft van de componist, die voor het realiseren in klank van zijn droom geen aanknopingspunten vindt bij de realiteit van de hoorbare, zichtbare en tastbare wereld (aanknopingspunten die een schrijver, dichter, schilder, beeldhouwer of architect wèl hebben), kan slechts sprake zijn van een regelrechte identificatie. Daar heeft het essay ongetwijfeld autobiografische waarde. In zijn eigen zoeken naar een muziek die aan alle moeilijkheden van het bestaan ontstegen is en in zijn streven kunstwerken te maken waaruit anderen geluk kunnen distilleren, voelde Vermeulen zich innerlijk verwant met Beethoven.

            Ook Richard Roland Holst was vol enthousiasme over het Beethoven-stuk. Dit artikel gaf weer eens een bevestiging van zijn intuïtie dat in de man die hij enige jaren ondersteund had, het heilige vuur leefde. Spontaan uitte hij zijn bewondering voor het literaire meesterschap: ‘Dat is een prachtig essay van je over Beethoven. Telkens opnieuw stort ik er mij in, het leeft als bergwater. Het licht van het hooggebergte is er om heen, het klare licht dat afstanden opheft en waarin je bergmeren tot de bodem ziet. Wij armen hier in Holland, verwend zijn wij aan literaire mist en nevel, die verleden en toekomst versluierd houden, en die ondiepe slootjes ondoorgrondelijk doen schijnen. Daar bij jou hoor je ook niet meer het ikikikkikikiikik gekikker, waar de zelfgenoegzame Hollandse sloten van dazen. Zó kan hij alleen schrijven die de creatieve sensatie kent, die het beschouwend verstand bezit en die grote cultuurhistorische en zuivere vakkennis bezit, en die bovendien dit alles saam weet te binden, tot één meeslepende kracht. Bezorg ons een tweelingbroeder van je die, zoals jij over de dingen der muziek, over de dingen der plastiek kan schrijven, maar laat hij dan ook zó kunnen schrijven, zo gespierd, zo naakt en zo vrij van alle verwijfde sieraden. ‘t Is een enig stuk, ik ben voor ‘t eerst trots dat ik in de Gids Redactie zit.’[4]

            Het essay vestigde opnieuw Vermeulens naam als schrijver over muziek. Niet alleen in Nederland maakte zijn artikel diepe indruk, ook Nederlands-Indië, waar het in het Soerabaiasch Handelsblad verscheen, werd erdoor overrompeld, getuige een echo uit 1931: ‘Op een dag werd Vermeulens prachtige uitstorting van beredeneerde bewondering voor de grote kunstenaar over de hoofden van de beduusde kolonialen uitgegoten. Die middag werd zelfs in de tropen de thee volslagen koud.’[5]

 
 

MEDEWERKING AAN DE GIDS (1927-1928)

Zijn eerste artikel over moderne Franse letterkunde, voor het juli-nummer van De Gids,[6] opende Vermeulen met het onmogelijke te schetsen van de taak die hij op zich genomen had. Destijds verschenen in Frankrijk gemiddeld twee romans per dag. Er was dus niet te ontkomen aan beïnvloeding door ‘de publieke opinie en de touwen waarmee ze gemanoeuvreerd wordt’. Maar de snelle successen van schrijvers, dikwijls geforceerd door grote reclamecampagnes en hoge oplagecijfers die uit de duim gezogen waren, boden geen garantie voor kwaliteit. Vermeulen besloot zijn inleiding met het uitspreken van het voornemen niets anders weer te geven ‘dan wat een instinctief genoegen of een instinctieve hekel was. Ik geloof dat dit geen slechter norm is dan literaire kritiek’.

            In een viertal kort daarvoor verschenen romans[7] signaleerde Vermeulen een neiging tot negativisme: alle hoofdpersonen hadden van hun auteurs een defaitistische levenshouding meegekregen. Het publiek kreeg de spiegel voorgehouden van de verlaten mens, die zonder hoop en zonder bezieling zijn leven slijt. Het ergert Vermeulen dat deze kant van het bestaan de overhand begint te krijgen in het denken van schrijvers. ‘Wij kennen de verlaten mens sinds Homerus, of zo gij wilt, sinds de Prediker. Hij is ons schaduwbeeld aan onze linkerzijde. Hij heeft ons niet verhinderd Europa te construeren en de wereld, het Romeinse Recht, de Kathedralen, de Piramiden en de vlucht over de Oceaan. Wij hadden de moed om te strijden met deze engel des doods, elke avond tot elke dageraad. De verlaten mens, die naast ons gaat sinds de geketende Prometheus, de verlaten mens, die wij overwonnen sinds de menhirs, kreeg het accent van overwinnaar.’ Zelf kende Vermeulen gevoelens van moedeloosheid maar al te goed. Juist daarom roept een romanfiguur die zich, geestelijk losgeslagen, volledig door die gevoelens laat beheersen, wrevel bij hem op: ‘Het schijnt mij toe, dat hij ons vooral daarom irriteert, wijl wij, op de verkeerde, ongeëvenredigde basis waar hij ontworpen werd, een mismaakt mens zien groeien, wiens troebelen, wroegingen, weifelingen, aspiraties, overeenkomsten vertonen met onze innerlijkste ervaringen. Hij irriteert ons, omdat wij de nederlaag niet geaccepteerd hebben, en wanneer wij ze ooit zouden accepteren, wij het zouden doen na minder dwaze antecedenten en na een rationeler geleid bestaan.’

            Was Vermeulen eerder Prinzipienreiter in muzikale aangelegenheden, nu formuleert hij zijn moralistische beschouwingen op een gebied waar hij feitelijk nog geen gezag had opgebouwd. De oriëntering van schrijvers naar een kleinzielig mensentype noemt hij een regelrechte bedreiging van de psychische gezondheid. In Vermeulens visie heeft de kunstenaar een ethische taak: met zijn werk moet hij bijdragen en richting geven aan de positieve krachten in een samenleving, een romantisch ideaal dat op oud-Grieks gedachtengoed is gebaseerd.

            Het tweede stuk voor De Gids,[8] over het beroemde en spraakmakende boek Les Faux-Monnayeurs van André Gide, is gewijd aan hetzelfde onderwerp: het doel dat de kunstenaar zich stelt of dient te stellen. Vermeulen vond de roman niet het niveau hebben dat de auteur in eerder werk had bereikt. Zich inlevend in de problematiek van de romanschrijver, kwam Vermeulen tot de volgende analyse, die problemen behandelt waar hij blijkbaar zelf ook mee had geworsteld: ‘Gide raakte op ‘t dode punt dat de kunstenaar tweemaal in het leven bedreigt, – de eerste keer in zijn jeugd, als hij machteloos zwerft te midden van duizend motieven, welke hem lokken zonder dat hij ze kan beheersen, de tweede keer in de rijpe jaren, wanneer hij van duizend andere motieven, welke tevoren edel en uitnemend leken, niets meer zien kan dan de leegte, de ijdelheid, de onherroepelijke overbodigheid, – het dode punt waar kritiek, controle en inzicht de vlammen van het instinctieve enthousiasme, onontbeerlijk voor de arbeid, verstikken. Want er behoort een aanzienlijke mate van illusie toe en naïviteit, een ruim tekort aan bezinning, of een overmatig innerlijk geweld om levenslang noten op een balk te rangschikken, in rijm en maat te schrijven, of erger nog, de lotgevallen en het menselijk, al te menselijk geroddel van onze mede-creaturen te vertalen in begrijpelijk proza, in aangepaste klanken en beelden. Gelijk de miljarden pauwen krijten, en kreten, zoals de eerste schreeuwde in de eerste avondschemer, en sinds die stonde haar gekwelde ziel grifte als op een grammofoonplaat, zo zijn wij gebonden aan de code, waarvan wij het cijfer niet kunnen wijzigen zonder onverstaanbaar te worden, aan grenzen, welke zuiver te bewaren kunst heet. Geluid, ritmen en vormen die wij dromen, welke ook hun ideële voortreffelijkheid zij, worden waardeloos wanneer de evenmens er zich niet kan terug-ontdekken, en wie zal zeggen of de grootste hinder voor de kunstenaar niet bestaat in het vermogelijken van een echo, in voorzorgen dat ten minste de laatste lettergreep óverkomt?’ 

[In die tijd schreef hij] voor het publiek van het Soerabaiasch Handelsblad een scala van andersoortige onderwerpen en gebeurtenissen. Hij berichtte bijvoorbeeld over de opening van het kanaal van Marseille naar de Rhône, de aanleg van een kabelbaan tot een hoogte van 3843 meter op de Mont Blanc, de ambitieuze verbinding van drie grote Boulevards in Parijs door het slopen van een oude wijk, de instelling van een nationaal instituut voor chemie ter gelegenheid van de honderdste geboortedag van de Franse pionier op dat gebied, Marcelin Berthelot, en de tragische dood in Nice van de grote danseres Isidora Duncan. Ook kon hij enthousiast melding maken van een adembenemende tenniswedstrijd tussen de Fransman Lacoste en de Amerikaan Tilden: ‘Ik wist niet dat tennis zo dramatisch-spannend kon zijn.’ Vermeulen beschrijft hoe kansloos Lacoste van tevoren leek: hij hinkte wegens spierkrampen en was de vorige week nog verslagen, terwijl zijn tegenstander in topconditie verkeerde. Onder aanvuring van het publiek echter won de Fransman aan zelfvertrouwen en kwam hij steeds meer in een ritme waartegen de Amerikaan het tenslotte moest afleggen. ‘Kent gij een toneelspel, een muziekstuk, een dans, of wat dan ook, waarin slechts twee personen zouden optreden, en dat in staat is om drie en half uur lang achtduizend mensen buiten adem te houden? Ik niet en ik zou zoiets ongelooflijk achten als iemand me het kwam vertellen die het niet zelf gezien had.’[9]

            Bijzonder veel opwinding was er in het jaar 1927 over de ontwikkelingen in de luchtvaart. In Europa zowel als in Amerika werden de gemoederen in beslag genomen door de vraag wie als eerste met een vliegmachine de Atlantische oversteek zou volbrengen: een Fransman of een Amerikaan. Op het gebied van de luchtvaart waren tot dan toe alle belangrijke stappen door Fransen gezet – de vlucht van Blériot over het Kanaal, die van Roland Garros over de Middellandse Zee en de luchtreis die Pelletier-Doisy volbracht van Parijs naar Peking en Tokio. De verwachtingen waren dan ook hooggespannen toen het duo Nungesser-Coli in de vroege zondagochtend van de achtste mei in zwaar weer van Le Bourget opsteeg voor de gewaagde overtocht naar New York. De volgende dag stond heel Parijs op zijn kop: ‘Iedereen was geladen met onbedwingbare elektriciteit en een dergelijke agitatie had men sinds de wapenstilstand niet meer aanschouwd. Het verkeer en alle zaken stonden stop. Op de Boulevards en op het reusachtige plein der Opéra, tot boven aan de trappen, stationeerde een compacte en opgewonden mensenmassa, welke noch voor-, noch achteruit kon. De speciale edities der bladen werden de verkopers ontrukt bij bundels, betaald met bankbiljetten en over de hoofden verspreid. De stad was sinds de morgen overstroomd met ongecontroleerde berichten, van welke niemand de herkomst wist en waarvan het ene de passage boven Hallifax, een tweede de aankomst in New York, een derde zelfs de vreugdevolle ontvangst meldde. De kanonnen van Vincennes hadden saluutschoten gelost; een vliegtuig was opgestegen en had met rode vuurpijlen, welke een N tekenden, het ongelooflijke nieuws in de lucht geschreven. Bij duizenden en duizenden drong men zich naar de Place de la République, waar op een zesde verdieping de oude moeder woont van Nungesser. In het meeslepende gejuich verscheen de moeder van Charles op haar balkonnetje met een groot portret van haar zoon in de handen, omhelsde het en brak uit in tranen.’

            Er bleek te vroeg gejuicht. Vermeulen voelde intens medelijden met de moeder van de vliegenier: ‘Stel u het ontwaken voor der oude moeder toen de volgende ochtend alle berichten vals bleken, toen men erkennen moest dat men niets wist, absoluut niets. Welk een herinnering aan het portret van haar Charles, welk een wrede droom van vreugde en geluk! Wie zou de moed hebben over zijn eigen desillusie te spreken? Men kropt ze op bij zovele andere. Men kropt ze op en laat de krachten der ziel ze omscheppen in een jubel, die later zal ontlaaien over een andere daad. En wie zal de fakkel overnemen van Nungesser en Coli?’[10]

            Van deze mannen was na drie weken nog steeds geen levensteken vernomen, toen de Amerikaan Charles Lindbergh zijn poging ondernam vanaf de andere kant van de Oceaan en op 21 mei 1927 wel slaagde. Opnieuw werden de mensen als door koorts bevangen, meldt het verslag van Vermeulen die erbij aanwezig was: ‘Rondom het aërodroom van Le Bourget had zich, zodra de “Spirit of Saint-Louis” gesignaleerd was boven Ierland, een mensenmenigte opgehoopt welke men schatte tussen de 150.000 en 200.000 man. De wegen van de Parijse poorten tot het vliegkamp waren versperd met voertuigen in alle afmetingen, van auto-car tot kinderwagen. Toen Lindbergh een half uur later dan men verwachtte door de zoeklichten werd opgevangen stond deze massa klaar om het aërodroom met de grond gelijk te maken.’ Er landde een vliegtuig, waarvan men niet zeker wist of het de Amerikaan was. Een functionaris snelde er op af ‘op enige afstand gevolgd door een bende razenden, die de afsluitingen gebroken heeft als lucifers’. Hugo Reynst vertelt het verdere verloop in geuren en kleuren: het vliegtuig blijkt inderdaad de ‘Spirit of Saint-Louis’ en terwijl Lindbergh aan de ene kant van het vliegtuig door officials wordt afgevoerd, neemt de hysterische massa aan de andere kant een niets vermoedende Amerikaan op de schouders, ondanks dat hij gillend uitroept: ‘I’m not Lindbergh’. Als het eindelijk tot de menigte doordringt dat hij gelijk heeft, gaat zij – dol geworden bij de gedachte aan weer een vals bericht – naarstig op zoek in alle loodsen ‘vrouwen en kinderen omverlopend, alles vertrappend, alles afbrekend wat zij tegenkwam. De kalmsten onder deze bezetenen die bij de machine gebleven waren, plunderden het vliegtuig, scheurden de vleugels aan flarden, allemaal om een “herinnering” te hebben, en beschadigden het zó, ondanks de aankomst van een piket soldaten, dat het een week later nog niet luchtvaardig was’.

            Er klinkt bewondering voor de heroïek en stoutmoedigheid van de luchtvaartpionier door in Vermeulens beschrijving van de ontvangst van ‘deze jonge man van vijfentwintig jaar, die geen andere bagage meedroeg dan een scheerkwast en een Gillette, een kippepoot als mascotte, een derivometer van Amerikaanse vinding, waarmee de koersafwijkingen verbeterd werden, een kompas in de staart van het vliegtuig, dat hij volgde in een spiegeltje, en een paar kaarten op schaal van één miljoenste’. Getroffen was hij door het bezoek dat Lindbergh daags na zijn aankomst bracht aan de moeder van de verongelukte Nungesser; hij zag er de elementen in van een drama naar Grieks model: de oude vrouw die elk moment het fatale of verblijdende bericht verbeidt over het lot van haar zoon, tegenover de jonge, vreemde overwinnaar. ‘Welk een onderwerp voor een dichter... als er nog dichters waren.’[11]

Het thema waar Vermeulen zich in zijn volgende artikel voor De Gids op concentreerde, was nogmaals het geluk, dat in de literatuur van de laatste jaren als onbereikbaar leek te worden afgeschilderd. In zijn bespreking van twee romans van Jacques Chardonne, die in weerwil van zijn titels (L’Epithalame en Le Chant du Bienheureux) meer ongelukkige personages opvoerde dan gelukkige, ageert Vermeulen tegen de algemeen heersende opinie in de kunst dat het antagonisme van de mannelijke en vrouwelijke natuur onvermijdelijk leidt tot eeuwige botsingen en onverzoenlijkheid. Deze opvatting lag niet alleen ten grondslag aan een belangrijk deel van de toenmalige literatuur en dramaturgie, maar heerste vooral ook in de schilderkunst. In dit artikel laakt Vermeulen, evenals meermalen in het Soerabaiasch Handelsblad, de evidente vrouwenhaat die veel schilders met hun werken aan de dag legden. Nooit zou de kunstenaar – in Vermeulens visie – mogen toegeven aan afbrekende gevoelens, altijd zou hij moeten streven naar het geluk. ‘Al weten wij hoe dit begrip imaginair is en pas statisch kan worden in de dood, wij menen, dat het als doelpunt van elke toekomstige dag verkieselijker is dan zijn antithese, al ware het enkel, wijl het de menselijke vermogens vollediger opvordert.’[12]
 
 

DEPRESSIE (1928-1929)

Vermeulens boekbesprekingen in De Gids zijn niet onopgemerkt gebleven. Van verschillende kanten bereikten hem uit Nederland verzoeken om artikelen te leveren. Het pas opgerichte blad Rythme, gewijd aan toneel, dans en film, zou graag een stuk hebben over de ontwikkelingen in Parijs op het gebied van ballet en zo kreeg men in het nummer van juli 1928 een beschouwing te lezen over het laatste werk van Stravinsky, Apollon Musagète. Vermeulen zag deze zoetgevooisde compositie, waarin Stravinsky voornamelijk antiquiserende stijlmiddelen toepast, als het dieptepunt van stilistische verwording en vond dat de maker ervan was aangeland ‘bij de materialisatie van het totale Niets’. Het was voor hem onbegrijpelijk dat de Franse critici en componisten de toejuichingen sanctioneerden die Stravinsky ten deel vielen: ‘Zij die, met recht overigens, de laatste werken en de laatste jaren niet spaarden van Erik Satie, waarom spaarden zij Stravinsky? De geschiedenis bevat geen tweede voorbeeld van de onberaden wijze waarop een auteur onder het applaus van allen, die de wetten der muziek miskennen, zijn ondergang tegemoet snelt.’[13] Vermeulen ondervond waardering en instemming met dit artikel;[14] het is in 1929 opgenomen in het letterkundig jaarboek Erts.[15]

            De toen nog nauwelijks bekende dichter Jan Engelman (1900-1973) zocht eind juli contact met Vermeulen om een mogelijke uitgave van artikelen te bespreken. Hij was verbonden aan De Gemeenschap, een vooruitstrevend katholiek maandblad, dat ook boeken uitgaf en in principe bereid was een bundel artikelen uit te brengen. Engelman was goed bevriend met zijn leeftijdgenoot Marsman; het is dus niet onmogelijk dat hij met dit initiatief diens idee oppakte. Er werd in Parijs een afspraak gemaakt. Toen Vermeulen op de aangegeven plaats en tijd verscheen, trof hij echter niemand in het hotel. Schriftelijk verklaarde hij zich evenwel alsnog bereid met De Gemeenschap in zee te gaan, zij het onder één restrictie: ‘De enige omstandigheid, waaronder ik zou moeten weigeren ware, dat “De Gemeenschap” verband zou hebben met het Communisme. Ik zou, wijl ik elders verbeten anti-communistische artikelen geschreven heb en zeker nog zal schrijven – ik kan de Communisten niet meer uitstaan -, deze dubbelzinnigheid niet kunnen accepteren. Tot mijn spijt moet ik bekennen dat ik absoluut niets weet van “De Gemeenschap”, want sinds mijn evasie hield ik om zo te zeggen geen contact met Holland. Ik schrijf u dit alleen à titre documentaire, opdat wij weten wat wij aan elkaar hebben. Gelijk u waarschijnlijk weet ben ik altijd genoodzaakt geweest de letterkunde te beoefenen ter wille van het centje. Daar ‘t mij tot dusverre onmogelijk viel de kwaliteit te offeren aan de kwantiteit marcheert deze zaak niet erg schitterend. Het zou mij plezier doen als “De Gemeenschap” daar rekening mee wilde houden voor zoveel dat in haar macht ligt. Wanneer dus deze plannen niets in de weg staat zal ik het boek inrichten naar uw aanduidingen. Ik behoef dan nog slechts te weten het aantal bladzijden en het aantal woorden of letters per bladzijde.’[16]

            De anti-communistische artikelen waarvan hier sprake is, had Vermeulen geschreven voor het Soerabaiasch Handelsblad. In mei nog had hij er een afgezonden. In het stuk met de veelzeggende titel ‘Het beest zonder naam’ uitte Hugo Reynst zijn teleurstelling over de misstanden in de Sovjet-Unie en zijn verontwaardiging over de manier waarop die in een aantal boeken onder tafel werden gemoffeld. Veel Westerse intellectuelen sympathiseerden met het communisme en verscheidene Franse schrijvers van grote reputatie hadden een reis door Rusland gemaakt, waarvan zij gunstig verslag deden.[17] Vermeulen vreesde dat zij zich hadden laten beetnemen door het propaganda-apparaat dat hen langs nauwkeurig geselecteerde model-objecten voerde. Voor hem school er meer waarheid in het gedocumenteerde beeld dat de Rusland-kenner Joseph Douillet in Moscou sans Voiles schilderde. Iedereen zou hiervan kennis moeten nemen: ‘de armzalige levensstandaard van de Russische arbeider, die gedurende de week moet slaven en gedurende zijn vrije dagen op zware straffen verplicht is rond te lopen in communistische betogingen; de ruïne der boeren; de ondergang der industrie; de decadentie van alle onderwijs, dat een belachelijke parodie werd; de ongelooflijke immoraliteit op de scholen; het gruwelijk lot der ouden van dagen; de grenzenloze ellende der miljoenen verweesde kinderen, overgeleverd aan prostitutie en straatroof en waarvan het grootste gedeelte in dienst staat der Tsjeka en fungeert als verklikkers en spionnen; de ongekende depravatie der zeden; de verwaarlozing der sanitaire diensten; de vervuiling; de algemene armoede. Het is van het grootste belang, dat iedereen wete, dat er in Rusland geen Dictatuur van het Proletariaat bestaat, doch slechts een Dictatuur over het Proletariaat’. Vermeulen was begaan met het lot van het Russische volk dat leed onder meedogenloze terreur en strenge censuur en hij bestreed de mening van sommige schrijvers die suggereerden dat de uitwassen van het Russische experiment te wijten waren aan het karakter van het volk: ‘Kan men onder zulke omstandigheden redelijkerwijze spreken over een conformiteit van het Russische volk en de communistische revolutie? Ik schaam mij zulk een vraag te moeten stellen.’[18]

            Wat Vermeulen ernstig zorgen baarde, was het fanatisme waarmee de Franse communisten hun invloed op de maatschappij trachtten te vergroten. Het groeiende aantal stemmen dat de communistische partij dat jaar uitgerekend in de duurste wijken van Parijs wist te behalen, zag hij als een veeg teken. Een jaar eerder had Hugo Reynst gewag gemaakt van de methodes waarmee de bolsjewieken van plan waren te infiltreren op alle vitale punten in de samenleving (waterleidingbedrijf en energievoorziening, communicatiekanalen van telefoon en telegraaf, openbaar vervoer) ter voorbereiding van een stille machtsovername zonder bloedvergieten.[19] De Generale Staf had het bestaande, geheel Parijs omvattende verdedigingsplan opgegeven ten gunste van een strategie van verdediging van louter de ministeries en het Elysée; de rest van de stad zou zonder slag of stoot aan oproerlingen worden prijsgegeven. Dit beschouwde Vermeulen als een historische vergissing; sabotage van alle voorzieningen als elektriciteit en water zouden er nog gemakkelijker door worden.[20]

In het Soerabaiasch Handelsblad is het Kellogg-verdrag door Hugo Reynst veel ter sprake gebracht in verband met de strikt pacifistische politiek van het door socialisten geregeerde Frankrijk. Vermeulen was bevreesd voor de gevolgen van deze naar zijn oordeel naieve houding te midden van naties die zich steeds agressiever opstelden. De manier waarop de Duitse socialisten in die zomer profijt hadden getrokken van de Schubert-herdenking in Wenen, vond hij bepaald onrustbarend: ‘Duitsland heeft Oostenrijk voor ‘t aanschijn van het ganse Universum aan zijn hart gedrukt en iedereen voelt dat het niet van plan is het nog ooit los te laten. Vier legerkorpsen hebben met trouwe borst en eensgezind hun Deutschland, Deutschland über alles, gegalmd en de Weners hebben geapplaudisseerd.’ De Duitse socialisten hadden zich al uitgesproken voor de Anschluß van Oostenrijk en Vermeulen voorzag verdere annexatiedrift van deze ‘bende verkapte pangermanisten’ ten opzichte van Silezië, Bohemen en de Poolse corridor. Hij vond het heilloos en gevaarlijk dat Frankrijk zich niet te weer stelde tegen deze ontwikkelingen, maar steeds een buitenlandse politiek aanhing van toegeeflijkheid en verzoening. Tegelijkertijd kreeg de Franse jeugd in het onderwijs zodanig het pacifisme met de paplepel ingegoten, dat het instinct van zelfverdediging werd onderdrukt en er geen plaats was voor een gezonde dosis nationalistische gevoelens. Het verontrustte Vermeulen dat de Franse socialisten niet onder ogen wilden zien dat ‘de internationale broeders aan de overzijde van de Rijn onbetrouwbare opportunisten zijn’. Hugo Reynst herinnerde eraan dat de Duitse rijkskanselier, een socialist, vlak voor het uitbreken van de oorlog in 1914, op het socialistisch congres in Parijs plechtig had beloofd, dat in geval van oorlogsverklaring geen enkel Duits socialist zou marcheren. ‘Het eerste wat de Duitse socialisten deden toen de krijg uitbrak, was, te marcheren naar het standbeeld van Bismarck om hun rode vlaggen te verbranden en als één man voor de oorlogskredieten te stemmen. Voor zulke dingen zal de Fransman immer verstomd staan. Een idee is voor de Fransman een geloof, en beheerst al zijn doen en denken zolang het idee levend blijft.’[21]

            Al deze kwesties waarover hij sinds het najaar van 1928 tweemaal per week te schrijven had, hielden Vermeulen gepassioneerd bezig. In november ging hij niet in op een uitnodiging tot een kennismaking met Marsman, die toen in Parijs was en hem van te voren een zending boeken[22] en literaire tijdschriften had toegestuurd. Pas na drie maanden zal hij ertoe komen Marsman daarover te schrijven.

Vermeulen is niet ingegaan op Marsmans dringende verzoek om door een beginselverklaring richting te geven aan de jonge generatie schrijvers in Nederland en aldus bij te dragen aan een vernieuwing van de literatuur. Dit wil niet zeggen dat hij ongevoelig was voor het beroep dat op hem gedaan werd. Als hij het idee absurd gevonden had, dan zou hij het wel meteen resoluut van de hand hebben gewezen. Blijkbaar peinsde hij erover, maar zag hij door zijn drukke werkzaamheden (naast de wekelijkse twee artikelen voor Soerabaia het tijdrovende drukklaar maken van Lully’s opera) geen mogelijkheid om iets nieuws te ondernemen. Misschien voelde hij zich er ook wel enigszins ongemakkelijk onder en dacht hij: ‘qu’on me laisse tranquille’ zoals hij later in zijn leven dikwijls verzuchtte, wanneer hij in bezigheden werd gestoord die al zijn aandacht vroegen. In ieder geval liep het aandringen van Marsman, dat sterk doet denken aan het appel dat Vermeulen zelf destijds richtte aan het adres van Diepenbrock, op niets uit. Later stuurde hij Vermeulen nog eens een boek met de opdracht: ‘Aan Matthijs de Zwijger’.[23]

            Zeker zal ook de economische, financiële en politieke situatie van Frankrijk hebben bijgedragen aan de depressieve gevoelens waaraan Vermeulen in de eerste helft van 1929 leed. Tien jaar na beëindiging van de strijd waren de wegen en treinen nog steeds in oorlogstoestand, moesten befaamde wetenschappers zien rond te komen van bijbaantjes en zwoegde het gros van de mensen zeven dagen per week om de belastingen te betalen. Ook in de internationale verhoudingen waren er weinig ontwikkelingen die aanleiding gaven om Vermeulen vrolijker te stemmen. Duitsland had gedaan gekregen dat de oorlogsschatting en schadevergoeding die het volgens verdrag aan Frankrijk moest betalen, met maar liefst zeventig procent verminderd werden. Tegelijkertijd kon Frankrijk bij de Verenigde Staten op geen enkele versoepeling rekenen voor de afbetaling van de gigantische leningen, tijdens de oorlog verstrekt voor het kopen van in Amerika vervaardigd wapentuig. De industrie van de Verenigde Staten had geprofiteerd van de strijd in het verdeelde Europa en een voorsprong genomen. De export van Frankrijk werd ernstig belemmerd door hoge tolheffingen. De Amerikanen gingen zover in de afscherming van de eigen markt dat zij een boycot uitvaardigden tegen Franse films, terwijl Parijs overspoeld werd met producten uit Hollywood.

            Overal in het land leefde de herinnering aan de oorlog. Al tijdens de strijd en snel erna had een aantal schrijvers de verschrikkingen van de loopgraven tot onderwerp van een boek gekozen. Diepe indruk maakte in 1929 het verschijnen van Im Westen nichts Neues van Erich-Maria Remarque, de eerste publicatie op dit gebied van een Duits auteur. Het Franse publiek toonde zich nieuwsgierig: in een mum van tijd waren honderdduizenden exemplaren van de vertaling verkocht. Vermeulen sprak de hoop uit dat het boek van Remarque de Duitsers duurzaam de ogen zou openen ‘over het onheilvolle bedrijf, dat zij te dikwijls beoefenden als een nationale industrie’.[24] Terwijl Frankrijk waarschuwende monumenten had zoals die in Verdun en Douaumont, waar zich het immense knekelhuis bevindt met de overblijfselen van vierhonderdduizend Franse soldaten die daar anoniem zijn bijgezet, ontbraken die geheel in Duitsland. De sobere plechtigheid waarmee in juni ‘29 te Verdun een boek werd gepresenteerd met de namen daarin van alle omgekomen soldaten, gaf Hugo Reynst aanleiding voor een aangrijpend artikel over de stad die sinds de Oudheid voor de tiende maal na een vernietiging uit haar as herrezen was.

            Hoewel ontwikkelingen op technisch gebied Vermeulen interesseerden, was hij niet met alles ingenomen. In 1929 stelde hij diverse malen de automobielgekte aan de orde. De massaproductie van kleine, voor de middenklasse betaalbare auto’s van Peugeot, Citroën en Renault was op gang gekomen en de burgerij deed en masse zijn best zich zo’n voertuig te verwerven. Voor willekeurig welke verplaatsing werd het nieuwe statussymbool van stal gehaald en zo zat het Parijse wegennet al dikwijls volkomen verstopt, waardoor de straten letterlijk blauw stonden van de uitlaatgassen. Deze verkwisting van brandstof zou misschien nog te verdragen zijn, maar Vermeulen kon absoluut niet accepteren dat men zich geen zorgen maakte over het grote aantal verkeersslachtoffers. Hij vond het hoog tijd worden om – zoals men congressen uitriep tegen tabak, alcohol, drugs, lawaai en de doodstraf – een internationale conferentie te beleggen tegen deze plaag: ‘Als de pokken, de tyfus heersten gelijk de auto, in hetzelfde steeds crescendo gaande tempo met dezelfde hardnekkigheid, zou men alarm slaan van de Kaap tot Spitsbergen. Men zou de sanitaire diensten aanklagen. Men zou interpelleren. Men zou de geneeskundige faculteiten beschuldigen. De grenzen zouden gesloten worden. Tegen de auto doet men niets. En de auto gaat zijn gang, steeds sneller, steeds talrijker, steeds dodelijker.’[25]

            Toch tracteerde Vermeulen zijn lezers ook dikwijls op Parijse Brieven met een lichte toon, bijvoorbeeld over de eerste Miss Europe-verkiezingen en de nieuwste trend om naturistische kolonies te stichten op de eilandjes in de Seine. Voor Hugo Reynst was dit aanleiding om een vergelijking te trekken tussen het niets verhullende optreden van een naakte studente in het Casino de Paris en de erotische werking van de prachtige dansen van La Argentina en haar Spaanse gezelschap in vol ornaat. Dit laatste was voor hem souvereine kunst: ‘Ziedaar de macht der rokken, die tot de grond reiken om even op te wervelen, de macht van het geheim, zou ik er met melancholie kunnen bijvoegen, wanneer ik moralist ware.’[26] Men zal wel gesmuld hebben van zijn hoogst amusante verslagen van diverse schandalen zoals de grootschalige oplichterijen van ene madame Hanau, die heel Frankrijk maandenlang bezighielden. Ook aardig is Vermeulens knipoog naar het publiek in de tropen, als hij de presentatie van kunstijs van een chemische samenstelling meldt: ‘Er bestaat dus niet het geringste bezwaar meer om schaatswedstrijden en ijsfeesten uit te schrijven te Soerabaia, wijl de plotseling ingetreden dooi ophoudt een factor te zijn, waarmee de kleine sar-duiveltjes alle plannen van dien aard plegen te dwarsbomen. Geen kostbare, omvangrijke, mechanische installaties voor het fabriceren van een noemenswaardige oppervlakte kunstijs. Slechts een paar tonnetjes Icex en men zwiert over een openluchtbaan als in de dagen van de Friese kampioen Poepjes. Mocht uw thermometer bij ongeluk honderd graden Fahrenheit wijzen, als gij dit leest, vergeef mij dan een fantasie, welke u een Tantaluskwelling moet zijn.’[27]

            Rekening houdend met de interesses van zijn Indische publiek besprak Vermeulen een boek als Les conquérants van André Malraux, gesitueerd in China. Ook wist hij te boeien door zijn beschrijving van de Franse hoofdstad. Indrukwekkend was het splinternieuwe, door baron Henri de Rothschild bekostigde Théâtre Pigalle, dat het summum van moderne techniek bevatte (het toneelpodium en de orkestbak waren volledig beweegbaar en door belichting en toneelmachines lagen alle soorten changementen binnen de mogelijkheden) en dat een voorbeeld was van schitterende moderne architectuur. Ter gelegenheid van de veertigste verjaardag van ‘madame La Tour’ (de Eiffel-toren) nam Hugo Reynst zijn lezers mee naar het hoogste punt van Parijs: ‘Er is geen plek op aarde waar men een rustiger en directer uitkijk ontvangen kan op alle mogelijkheden, op alle mogelijke grootheid, dan hier, geïsoleerd in deze vaste en verheven stip, welke nauw merkbaar deint. Men kijkt met verwondering naar de openingen der woningblokken waar geen plaats lijkt voor een konijn. Beneden krioelen wij als mieren en termieten, die met een onbegrijpelijke haast her- en derwaarts kronkelen. Hierboven hergroeien wij tot ons zelf, tot onze individualiteit, tot onze bestemming. Er zijn in Parijs twee onvergelijkelijke plaatsen om te mediteren: het graf van Napoleon en de Eiffel-toren. Het is onmogelijk om zich daar, onder de vergulde koepel der Invaliden, en hier in deze grootse, kalme en hechte eenzaamheid, niet bevleugeld te voelen.’[28]

            Verscheidene stukken zijn gewijd aan grote figuren uit de Franse geschiedenis. Met eerbied en bewondering herdacht Vermeulen zowel Jeanne d’Arc die vijfhonderd jaar daarvoor het leven liet op de brandstapel, als de twee mannen die in de oorlog van ‘14-’18 van kapitale betekenis waren geweest voor de uiteindelijke overwinning en die beiden in 1929 stierven: Ferdinand Foch, maarschalk van het Franse leger en opperbevelhebber van de geallieerden, en Georges Clemenceau, minister-president in het laatste jaar van de oorlog en wegens zijn verbeten strijdlust ‘le Tigre’ genoemd. De warm geïntoneerde stukken die Hugo Reynst aan deze persoonlijkheden wijdde, behoorden tot het kleine aantal dat Vermeulen in 1946 bij zijn repatriëring naar Nederland meenam.

            Er zijn maar weinig artikelen die over het Parijse muziekleven gaan. Vermeulen heeft zich er slechts enkele malen toe kunnen zetten een concert te bezoeken; het peil van het orkestspel in Frankrijk bleek bedroevend laag in verhouding tot wat hij jarenlang in het Concertgebouw gewend was geweest. Oorzaak daarvan was de steeds wisselende bezetting: ‘In de Franse theaters bestaat de absurde gewoonte, dat de orkestleden, al de keren dat zij daarin voordeel zien, een remplaçant mogen stellen. De orkestleden vormen natuurlijk een syndicaat en daar wij vertoeven in de meest democratische der republieken van het oude continent, zijn de musici hier een beetje zotter gesyndicaliseerd dan elders. Het stellen van een remplaçant, wanneer in de bioscoop aan de overkant, op een partijtje of op een bruiloft een paar dubbeltjes méér te verdienen vallen, behoort tot een der voornaamste punten van de statuten hunner vakorganisatie, en zolang de musici niet het voldoende artistieke besef verkrijgen om aan zulke wantoestand een einde te maken, zal geen dirigent, noch minister van Schone Kunsten de moed bezitten om dit euvel uit de weg te ruimen. Hij zou gestenigd worden, een staking veroorzaken, maar geen wijziging teweeg brengen.’ Alle Parijse orkesten kampten met dit euvel: zowel die van de Grand Opéra en de Opéra Comique als die van de Concerts Colonne en Concerts Lamoureux. Het maakte niet uit of het om oude of nieuwe muziek ging. Zo werd Darius Milhaud bij de première van Le Pauvre Matelot geconfronteerd met 18 spelers die niet bij de repetities aanwezig waren geweest. Onder dergelijke omstandigheden, vervolgt Hugo Reynst, ‘wordt elke inspanning nutteloos, iedere repetitie overbodig omdat de dirigent altijd staat tegenover nieuwe gezichten. Het heersende regiem is je reinste anarchie en wanneer zo zelden in deze correspondenties de muziek wordt aangeroerd, geschiedt dit enkel omdat ik er met mijn Amsterdamse herinneringen het hart niet toe kan hebben.’[29]

 
 

Is het Pijpers opmerking geweest over de geluidsfilm als eventueel redmiddel voor een kunstwerk als De Vliegende Hollander, die Vermeulen nieuwsgierig maakte naar de mogelijkheden van het juist in opkomst verkerende medium of was hij toch al van plan zich op de hoogte te stellen van de laatste ontwikkelingen? Hoe het ook zij, hij schreef voor het Soerabaiasch Handelsblad een onderhoudend artikel over ‘De Talkie’, dat gedateerd is 12 augustus. Hugo Reynst hield zich daarin bezig met de vraag die tijdens de komkommertijd door een dagblad aan verschillende celebriteiten was voorgelegd: Waarom lacht het publiek bij de liefdestonelen van de sprekende film? Eerst schildert hij de reactie van het publiek in de bioscoop, dat meer doet dan alleen lachen en schateren. ‘Het interrumpeert. Het schreeuwt snaakse en bedenkelijke kwinkslagen; aanmoedigingen als de supporters bij een wedstrijd. Hoe liefelijker de schimmen op het doek kozen en kwelen, hoe meer het zich amuseert. Het gedraagt zich in de ogen van auteurs, regisseurs, directeurs, spelers en critici zeer onbehoorlijk, want niets is teleurstellender, dan dat iemand giert, wanneer men hem ontroeren wil. En Charley Chaplin heeft nooit zulke lachsuccessen gekend, als het eerste ‘t beste verliefde paartje.’ Vooral de geluidsversterking bleek debet te zijn aan de hilariteit. Alle stemgeluiden werden opgeblazen om tot in de verste rangen door te kunnen dringen. Als een mannenstem met stentorkracht ‘Ik aanbid je’ zei, was de vervorming nog tot daar aan toe, maar de techniek liet het volkomen afweten bij het klankspectrum van de tedere vrouwenstem: ‘Een sopraan wordt een gebarsten tenor, een alt een schorre bariton. Zodra de heer en de dame zich concentreren om zoete woordjes te kirren, worden de wanverhoudingen en de intonaties dermate karikaturaal, dat de toeschouwer geen andere uitweg vindt, dan te lachen en te persifleren.’ Was de geluidsinstallatie bovendien van slechte kwaliteit of – erger nog – als een versleten filmkopie gedraaid werd, dan waren de gevolgen helemaal rampzalig: ‘Elke oneffenheid van de oppervlakte, elk krasje komt over met een duidelijkheid, welke men in de voortreffelijkste studio nog als een begeerlijk ideaal beschouwt, wanneer het ernstige zaken geldt. Beurtelings hoort men een plof, een smak, een kanonschot, een fusillade, een geritsel, alsof men een reep taf scheurt, een gerammel, alsof er een wagen met oud ijzer voorbij rijdt, een gerinkel van scherven, alsof de meid een stapel borden breekt. Als de held zijn armen gaat vlijen om de hals der heldin, laat het grillige toestel een bons horen, alsof hij haar een por in de lendenen geeft. Een zoen wordt vertolkt als een roestig kelderluik, dat men ontgrendelt.’[30] Misschien betreurde Vermeulen het dat hij zich niet op de hoogte had gesteld van de stand van zaken betreffende de geluidsversterking voor grote ruimten, alvorens met Vosmaers plannen in te stemmen om de muziek van De Vliegende Hollander niet live te laten spelen en misschien gaf hij Pijper op dit punt van zijn kritiek achteraf wel gelijk.

            Dat de geluidstechniek intussen ook tot wonderbaarlijke resultaten kon leiden, maakte Vermeulen kort erna mee, toen in de eerste dagen van september 1930 een Frans duo (Costes en Bellonte) de Atlantische Oceaan van Parijs naar New York overstak. Het tijdstip waarop zij in New York aankwamen, correspondeerde te Parijs met twaalf minuten na middernacht. De hele reis, die geplaagd werd door mist en onweer, had men op de voet kunnen volgen via de telegrafische berichten die de kranten op grote transparanten langs de boulevards bekend maakten. Er heerste dezelfde opwinding als in de dagen van Nungesser-Coli en Lindbergh, maar het mooiste schouwspel bood wel het monumentale Place de la Concorde, waar men op een van de gebouwen twee reusachtige (‘en zeer duidelijke’ voegde Vermeulen eraan toe) luidsprekers had geïnstalleerd, waarmee het uit Amerika overgeseinde nieuws non-stop werd omgeroepen. Vroeg in de avond zag het er al zwart van de mensen. Opgewonden klom men op auto’s, in lantaarnpalen en bomen.

            Tegen middernacht wachtte een enorme menigte in een huiveringwekkende stilte op de tijding van de landing. Als die komt, brullen zestigduizend kelen het uit. Daarna gebeurt het grote wonder: men schakelt rechtstreeks over naar het vliegveld Curtiss-Field bij New York en ‘langs de Place de la Concorde, door het gejubel der Fransen, klinkt het gejuich der Amerikanen, verenigd over de Oceaan’. Vol verrukking schrijft Vermeulen over wat er zich dan afspeelt: ‘Het was nimmer gebeurd, dat men een radio opving en omriep in het openbaar, op een plein als de onmetelijke Place de la Concorde, midden in de zomernacht, naar aanleiding van een avontuur, dat de ganse bevolking in koorts zette, en een radio bovendien, welke uitgezonden werd van de overzijde van de Oceaan. Wij zijn veel gewoon en niet gauw verbaasd. Ik geloof echter, dat zich onder de mensenmassa niemand bevond, die niet verstomd stond.’ De telegrafische berichten waren in het Frans omgeroepen, nu kreeg men het Engelstalig verslag te horen van de Amerikaanse reporter, die woordelijk was te verstaan: ‘In de tussenruimte der halve minuut, welke beide talen scheidde, volbracht men de overtocht, zag men zich magisch verzeild te midden ener frenetieke menigte, die men hoorde razen als een nabije storm. Maar eensklaps luwt de herrie. Op zesduizend kilometer zet een orkest de Marseillaise in. Zij schettert en klatert uit de haut-parleurs, naast welke men een vlag hijst aan de hoogste mast. Aan de ene kant van de Oceaan de begeleiding; aan de andere kant het koor. Want de drommen Fransen, die dit ongelooflijke schouwspel bijwoonden, heffen luidkeels het volkslied aan op dit wonderbaarlijk transatlantisch accompagnement. Men waant het te dromen. Men vraagt zich af, of men gehallucineerd of gemystifieerd wordt. Waar zijn we? In Frankrijk, of in Amerika? Voor de eerste maal sinds de aarde draait, zingen en spelen twee volkeren unisono, alsof de Oceaan een greppel is, die twee velden scheidt. Er moet die nacht verwondering geheersd hebben tot in de zevende Hemelen.’[31]

Vermoeid na de teleurstellende afloop van het Vliegende Hollander-project, waarvoor hij zo hard gewerkt had, en door de toenemende strubbelingen rond de Lully-uitgave, was het Vermeulen zwaar gevallen om zijn normale hoeveelheid artikelen voor het Soerabaiasch Handelsblad af te leveren. Zijn productie lag in de tweede helft van 1930 duidelijk lager dan in de eerste helft, die strikt genomen drukker was geweest. Hij moet zien daar verandering in te brengen; vanaf januari 1931 verschijnen er weer zeven à acht artikelen per maand van Hugo Reynst. Hoewel hij zijn lezers steeds wist te vergasten op een afwisselend menu van uiteenlopende onderwerpen, van lichte en zwaardere kost, is in een paar artikelen ook merkbaar dat hij in die tijd aan moedeloosheid leed. Het duidelijkst komt dit naar voren in een artikel over het nieuwste werk van Arthur Honegger, de operette Le Roi Pausole, die Vermeulen van een bedroevende middelmatigheid vond. Het gerucht ging dat Honegger zich had laten ontvallen dat hij er over vijf jaar de brui aan zou geven. Vermeulens eigen vermoeidheid spreekt uit de zinnen waarin hij zegt zulke verzakingsplannen van een componist die ‘op het midden van de levensweg het bijltje erbij neerlegt’, niet dwaas of verwonderlijk te vinden: ‘Per slot heeft de notenbalk slechts vijf lijnen en het muzieksysteem maar twaalf tonen. Wanneer men niets meer, of niet veel meer te vertellen heeft, moet het voortdurende laveren tussen de vier nauwe kanalen en de eentonige dans op de vijf strakke koorden van wat zo onmelodisch een “balk” genoemd wordt, een oefening zijn, welke kruisen, mollen, hulplijntjes, diverse sleutels, maatsoorten, instrumenten en akkoorden vergeefs trachten op te fleuren, en die in wezen nog minder vrolijk stemt, dan het dagelijkse toeknopen van jas en vest.’

            De oorzaak van het verval in de compositorische praktijk, merkbaar in het werk van Honegger, was volgens Vermeulen gelegen in de nivellering die de betekenis van de muziek binnen de samenleving had ondergaan. Een navrant voorbeeld daarvan had hij ervaren in een warenhuis, waar een expositie stond opgesteld van een automobielfabriek in miniatuur. De gesproken toelichting uit de luidsprekers werd plots onderbroken door de klanken van Wagners Meistersinger-ouverture, die samen met de geluiden van motoren en claxons bij het publiek bewondering voor de techniek moest afdwingen. Vermeulen was furieus over zulk misbruik: ‘Men had evengoed een jazz op de grammofoon kunnen plaatsen, of Johann Strauss, of Léhar, die adequater zouden geweest zijn met de omgeving. Doch omdat alles hetzelfde is, omdat alle onderscheidingsvermogen teloor ging, omdat in een Babelse wanorde alle dialecten, alle tongen, zelfs de tongen der engelen dooreen gehaspeld worden, omdat de muziek geleegd werd tot zulke graad, dat zij alleen nog ageert als een vage, min of meer behaaglijke sensatie, omdat onverantwoordelijke, onmondige lieden, die van muziek minder begrip hebben dan van kruidenierswaren, het vermogen bezitten om haar los te rukken uit haar klimaat, uit haar sfeer, zoals men een konijn rukt uit zijn vel, omdat niemand dit infernale vermogen controleert en halt gebiedt, daarom speelde men Wagner, daarom draaide men hier onder de meest parodistische van alle omstandigheden deze vervoerende, oppermachtige ouverture af, en wie luisterde, wist niet meer wat de tang was en wat het varken.’ Even ontzet toonde Vermeulen zich over het veelvuldig gebruik van het Sehnsuchtsmotiv van Tristan und Isolde bij banale liefdesscènes in de bioscoop.

            Op grond van dergelijke ervaringen, die het moderne leven dagelijks leverde, concludeerde hij: ‘Het laat mijn tijdgenoten Siberisch koud, wat een orkest of wat een loud-speaker hun in de oren strooit. Mits er lawaai is, een zeker geroezemoes, iets wat uit de verte op een deuntje lijkt, hoewel het een kop heeft, maar nooit een staart, mits er een idee van gang in zit, een schijntje van gevoel, slikken zij het als het drankje van de dokter of het drankje van de kroegbaas. En inderdaad is het zo. Er bestaan geen toppen meer voor de massa van een hedendaags publiek, dat dezelfde superlatieven leerde gebruiken voor Paul Whiteman als voor Mengelberg of Toscanini; voor een jazz-rapsodie als voor een symfonie van Beethoven of Berlioz, en dat de noodlottige gewoonte aannam om, onverschillig welke muziek, te beschouwen als een stopper, waarmee men lege momenten vult en die tot niets verbindt.’[32] In dit licht vond Vermeulen het niet verwonderlijk dat er jonge componisten waren die een punt achter het componeren zetten.

            Was het (naar de mening van Vermeulen, neergelegd in voorgaand artikel) de maatschappij die een negatieve uitwerking had op de mentaliteit van de kunstenaars, in een stuk van een maand later draaide hij de rollen om en sprak hij over het ontbreken van inspirerende werking van kunstenaars op de samenleving. Hij werd op deze gedachtengang gebracht door het motto boven een artikel van een markant journalist: ‘La France s’ennuie.’ Ondanks de bedrijvigheid van het dagelijks leven en ondanks het vertier in music-hall, bioscoop, schouwburg, concertzaal, museum, krant en boek heerste er een soort lamlendigheid onder de Franse bevolking. De oplossing van het probleem lag volgens Vermeulen niet in gigantische projecten als het graven van een kanaal van Bordeaux naar Marseille: ‘Neen, als er een algemene verveling heerst, een vermeerderde activiteit zou er ons niet van afhelpen, zij zou ze hoogstens voor een poos maskeren. De ziekte is van een andere orde, en niet de sociologen, niet de economen, niet de staatslieden kunnen haar cureren: het heelmiddel moet uit hen voortspruiten, die van oudsher en altijd de werktuigen zijn geweest van een wedergeboorte der psychische vermogens, die immer de menselijke ziel gestemd hebben naar hun toon. Ik bedoel de kunstenaars, hoge en lage, die eertijds heetten aangevoerd door de negen Muzen. Wanneer wij ons vervelen, ligt de schuld bij hen en nergens anders.’

            Vermeulen noemt verscheidene redenen voor het deficit van de kunstenaars. Na de verschrikkingen van de oorlog hadden zij geen troost en opbeuring geboden. De miljoenen doden hadden geen waardige, aangrijpende of rouwende weerklank in de kunst gevonden. De mens was beroofd ‘van zijn wezenlijkste taal’. Veel kunstenaars legden zich louter toe op uiterlijkheden als het wijzigen van de vorm en verwaarloosden de inhoud. Hun fanatieke pogingen tot vernieuwing liepen naar Vermeulens inschatting dood: ‘Op elk gebied werd een uiterste bereikt, dat niet overschreden kon worden: in de plastische dans, in de dissonerende muziek, in de geometrische of intuïtieve schilderkunst, in de lineaire architectuur, in de individualistische of cerebrale poëzie, in de psychologische roman, in het realistische toneel, in de kubistische beeldhouwkunst. Overal: tot zelfs de nonsens, de wansmaak en de vulgariteit zijn onovertrefbaar geworden. Wij hebben van alle bekers geproefd en werden van alles beu, omdat zij het binnenste onbevredigd laten. Met een doffe onverschilligheid, welke de wanhoop dichter en dichter nadert, dwalen wij rondom de schatten welke vroegere eeuwen ons nalieten. Niets kan ons bij deze opgestapelde rijkdommen doen vergeten, dat wij onze eigen stem missen, dat de zintuigen waardoor wij verbinding zoeken met onszelf, met de buiten-, binnen-, boven- en beneden-wereld, die slechts kunnen weerkaatsen en leven in onze eigen reflexen, werkeloos gelaten worden, dat wij in letterlijke zin ronddolen als blinden, stommen en doven.’ Om uit de impasse te geraken zag Vermeulen maar één oplossing: ‘het ene Nodige’ (de titel van zijn artikel) om van de verveling af te komen, was de kunstenaars te dwingen ‘tot zelf-inkeer, tot een hernieuwing hunner innerlijke energie’.[33]

            Juist omdat hij hoopvol uitzag naar tekenen van een omslag in de mentaliteit van de kunstenaars, reageerde Vermeulen des te positiever als er gunstige ontwikkelingen te signaleren waren. Zo schreef hij met groot enthousiasme over Les Quinze, een toneelgezelschap van louter jonge mensen, die zich onder leiding van een goede regisseur jarenlang in een klein dorp in Bourgondië hadden teruggetrokken en daardoor een fascinerende graad van natuurlijkheid in spelen hadden bereikt. Een andere opmerkelijke vooruitgang viel onverwachts te boekstaven bij de filmindustrie. Te midden van tientallen bedenkelijke producten verscheen Jean de la Lune van Marcel Achard. Om de kwaliteit van de dialogen gold deze voor Vermeulen als de eerste gesproken film die als kunstwerk slaagde. Achard zette hiermee een nieuwe maatstaf en opende perspectieven: ‘Een jaar geleden bedreigde het woord de cinema. Nu kan het hem redden, en daarna komt wellicht de beurt aan de muziek.’[34]

            Met deze artikelen over esthetica en ethica van de kunsten bewoog Vermeulen zich in het Soerabaiasch Handelsblad eigenlijk op het terrein van zijn eerdere Gids-werk. Vandaar ook dat hij nog weinig neiging vertoonde om voor dit blad te schrijven, hetgeen de Gids-redactie betreurde. Richard Roland Holst spoorde Vermeulen meermaals aan tot een bijdrage en ook Nijhoff had al eens gevraagd: ‘Wanneer denk je weer eens over Franse letteren te gaan schrijven in De Gids? Je hebt me dat indertijd toegezegd, maar Zuster Anna (Colenbrander) ziet nog niets komen.’[35]

            Toen Jan Greshoff, die in Brussel woonde, in maart 1931 te kennen gaf dat hij de rubriek Franse letteren wel over wilde nemen, schikte Vermeulen zich in die oplossing en schreef aan de redactie: ‘Sinds de vorige zomer ben ik een beetje vermoeid en ik heb mij hiervan nog niet kunnen herstellen. Het lukt mij ‘t noodzakelijke werk te doen doch daarmee houdt ‘t op. Ik slaag er niet in om supplementaire uren te maken. Daar ik het eind van deze toestand niet voorzien kon, en daar er bovendien op letterkundig gebied niets verscheen wat mij door een voldoende stimulans van afkeuring of bewondering in beweging kon brengen – maar dat ook is wellicht een gevolg van mijn hypochondrie – heb ik het verzoek van de heer Greshoff beantwoord in de termen welke hij u mededeelde. Het spijt mij persoonlijk bijzonder wanneer ik deze taak en deze zeer aangename samenwerking moet laten varen. De soort desoriëntering welke mij belet op volle kracht te gaan, kan over een week voorbij zijn doch ze kan even goed nog maanden duren. Ik zou geen enkele belofte durven doen. Het zou mij natuurlijk verheugen wanneer u een oplossing koos welke mij enige marge laat, maar het lijkt mij evident dat alleen redactionele consideraties hierin beslissen.’[36]

            Voortaan nam Greshoff de besprekingen van Franse literatuur in De Gids voor zijn rekening, terwijl Vermeulen zijn brood verdiende met het sprokkelen van onderwerpen voor zijn Indische krant. In de volgende maanden zal hij weer meer aandacht besteden aan onderhoudende onderwerpen, zoals de introductie van voetgangersoversteekplaatsen in Parijs, waarop de auto-lozen de auto-bezitters graag wilden plagen. Ook de charmes van Joséphine Baker komen aan bod en de uitzinnige taferelen tijdens de wielerzesdaagse in het befaamde Vélodrome d’Hiver, in de volksmond Vel’d’Hiv’ geheten. Uitvindingen en nieuwe technieken bespreekt hij uitvoerig, bijvoorbeeld de experimenten met de ultra-korte golf, die ongekende uitbreidingskansen bood aan de radio.

            Stof voor een heel artikel leverde de eerste voetbalwedstrijd sinds de oorlog tussen Frankrijk en Duitsland. Parijs was overspoeld door een leger van vijftienduizend Duitse supporters, van wie er zesduizend op zondagmorgen de tinnen en torens van de Notre Dame bestegen. Honderdtwintig verslaggevers waren in hun kielzog meegekomen. ‘Voor de Fransman waren dat ontzagwekkende cijfers die hem een vreemde dunk gaven van de economische crisis aan de overkant van de Rijn. Hij begrijpt niets van die exodus, want hij weet zeker, dat een Frans-Duitse match te Berlijn geen vijfhonderd zijner landgenoten zou mobiliseren.’[37] De totaal verschillende speelwijzen van de twee teams (het een improviserend en solistisch, het ander planmatig opererend als een machine met elf raderen) gaven Vermeulen aanleiding tot een karakterschets van de Franse en Duitse natie. Duitsland verloor door een schot in eigen doel.

 
 

Met ingang van mei 1931 stuurde Vermeulen zijn Parijsche Brieven per luchtpost naar Soerabaia, zodat ze sneller geplaatst konden worden.

            De eerste artikelen die zijn lezers in Nederlands-Indië langs die weg bereikten, waren gewijd aan de met veel ceremonieel omgeven opening van de Internationale Koloniale Tentoonstelling. Vermeulen was diep onder de indruk van de voortvarendheid waarmee – ondanks aanhoudende regens, die de records van het vorige jaar ruimschoots sloegen – in zeven maanden tijds in het Bois de Vincennes even buiten Parijs een hele stad uit de grond was gestampt met paleizen, tempels, monumentale poorten en van boven tot onder geïllumineerde torens waarin diverse landen de culturele en economische producten van hun koloniën in Oost en West exposeerden: ‘Een stad in helle, schelle, kakelbonte, criante, maar prettige, opgewekte, levenslustige kleuren, als een sprookjesboek voor grote mensen, die voor altijd hun slecht humeur, hun Europees klimaat, hun sikkeneurigheid en hun duizendjarige traditie van zwoegen en ploeteren zouden willen laten varen.’[38] Vooral het vijftig meter hoge Nederlandse paviljoen, dat gebouwd was in de vorm van een tempelcomplex met twee pagoden van elf verdiepingen, vond hij in esthetisch opzicht uiterst geslaagd en een voorbeeld van architectuur die zich op de juiste wijze had laten inspireren door niet-Westerse bouwkunst: ‘Stellig zijn de gotische, romaanse of renaissancistische architectuur nimmer voortreffelijker geassimileerd dan hier de Sumatraanse.’[39]

            Uit de tentoonstelling waren volgens Vermeulen de volgende lessen te leren: Europa had nog niets aan vitaliteit ingeboet; het kolonialisme had de diverse gewesten in Amerika, Azië en Afrika niet slechts uitbuiting gebracht, zoals veel intellectuelen in die tijd meenden, maar evenzeer vooruitgang en ontwikkeling, die ondenkbaar zouden zijn geweest, waren zij afhankelijk gebleven van eigen initiatieven. Dit thema behandelde Vermeulen nog in enkele meer algemene artikelen waarin hij de verschillen aan de orde stelde tussen de Nederlandse, Franse en Engelse koloniale systemen en aanstipte op welke punten verbeteringen zouden zijn aan te brengen, ten voordele zowel van de inlanders als van de Europeanen.

In augustus verscheen er na lange tijd weer een bijdrage van Vermeulen in De Gids.[40] Het artikel, geschreven voor het Soerabaiasch Handelsblad naar aanleiding van het optreden van een Balinees gamelan-orkest op de Koloniale Expositie, was ook geschikt voor de lezers van De Gids. Vermeulen had zich zeer laten bekoren door de betoverende schoonheid van de gamelan en zo kwam hij ertoe om onder de titel ‘Achter de noten’ te filosoferen over de loop die de Westeuropese muziekgeschiedenis gekregen zou hebben, als men in het Westen – door een of ander misschien niet eens zo denkbeeldig toeval – reeds rond 1200 met de perfectie van een Oosters orkest zou hebben kennis gemaakt. De muziek in Europa verkeerde toen nog in een uiterst primitief stadium en Vermeulen veronderstelde dat de Westerse musici, zich buigende voor de verfijningen van de superieure Oosterse muziek, dan niet langer hun zoektocht naar de geheimen van de klank zouden hebben doorgezet. De dynamische, op vooruitgang gerichte instelling van de Europeanen zou het wellicht hebben afgelegd tegen de onveranderlijke traditie van de Aziaten waarbij kennis en kunde van generatie op generatie worden overgeleverd in een statische wereldbeschouwing. De wetmatigheden van de samenklank, zo nam Vermeulen aan, zouden dan niet ontdekt zijn en ook de mogelijkheden van de meerstemmigheid niet. In feite is het artikel een lofzang op de polyfonie, het eindstadium van een eeuwenlange ontwikkeling en de hoogste graad van intellectuele beheersing van een natuurkundig fenomeen. In de ontsluiering van de klank zag Vermeulen een doelgerichte geest werkzaam. Het ontbreken van een dergelijke polyfonie in de Oosterse muziek verklaarde hij vanuit een niet-doorgronden van de geluidsfysica. Aan het eind van zijn betoog dreef hij de gedachte van Europese suprematie op de spits door te zeggen: ‘En juist omdat de intellectuele prioriteit en superioriteit dermate evident is durf ik een boerse, lompe, onbehouwen dorpsfanfare plaatsen tegenover de verfijnde en verlokkelijke Balinese gamelan.

            Het is vooral deze uitspraak geweest, die weerstand opriep bij een specialist op het gebied van de Javaanse muziek, etno-musicoloog Jaap Kunst. Vanuit Bandoeng, waar hij aan de Nederlands-Indische Oudheidkundige Dienst verbonden was, schreef hij onder de titel ‘Et tu, Matthee’ een gepeperde reactie, waarin hij Vermeulen beschuldigde van geestelijk imperialisme, verdraaiing van feiten en historische vervalsing. In een lang exposé over de ingenieuze toonsystemen van de Javaanse en Balinese muziek probeert hij Vermeulens betoog te ontkrachten. Het artikel van Kunst verscheen in een volgend nummer van De Gids, samen met de ‘Hic et nunc, Jacobe’ getitelde reactie van Vermeulen, die met evenveel theoretische onderbouwing als zijn opponent kon aantonen dat hij in de kern van de zaak niet goed was begrepen.

 
 

CRISIS ALOM (1932-1934)

De vijf volgende jaren, 1932 tot en met 1936, zijn uitermate slecht gedocumenteerd. In het artistieke leven van Vermeulen zijn geen grote gebeurtenissen te melden: zijn werk wordt niet uitgevoerd en hij componeert niet. Regelmatig arbeidt hij voor zijn krant. Ook in later tijd heeft hij zich nauwelijks over deze periode uitgelaten. Zo zijn de artikelen die hij voor Soerabaia schreef, de belangrijkste getuigenissen van wat hem op dat moment bezighield en welke gebeurtenissen hem passioneerden. In toenemende mate reageert Vermeulen, moralist in hart en nieren, op kwesties die ethische beginselen raken. Zijn artikelen vormen een ware kruistocht tegen alle vormen van onfatsoen en onrechtvaardigheid: in sociale verhoudingen, in de politiek, in de economie, in de staatshuishouding. Hij legt de in zijn ogen vaak perfide machinaties bloot die achter internationale pacten verscholen zitten. Geldverspilling en potverteren van bestuurders stelt hij aan de kaak, evenals de kuiperijen van volksvertegenwoordigers die hun beloftes niet nakomen en de politiek ongeloofwaardig maken voor de kiezers. Het is opvallend dat Vermeulen zijn verslagen van de vele schandalen die Frankrijk kende, bij voorkeur verwoordt vanuit het standpunt van de man in de straat. Tegenwicht tegen de beerput van misbruik en verrijking vormen de artikelen over de hoge morele standaard van figuren uit de wereld van historie en wetenschap die met hun inventiviteit, werklust en volharding een voorbeeld zijn voor de mensheid.

            De economische en financiële crisis, in 1929 begonnen in de Verenigde Staten, heeft eind ‘31 ook greep gekregen op het leven in Nederlands-Indië. De exportcultures waar de economie van het land op dreef, verloren terrein. Bij het Soerabaiasch Handelsblad, sterk gelieerd aan handel en nijverheid, ziet men zich gedwongen een salarisverlaging voor alle medewerkers aan te kondigen. Aangezien Vermeulen nog steeds gebukt gaat onder de aflossing van oude schulden vraagt hij met aandrang om uitstel. Dit verzoek wordt door hoofdredacteur voor de buitendienst H.C. Zentgraaff ingewilligd: ‘Hoezeer de omstandigheden ook voor ons nijpend worden, willen we beginnen met een verlaging van uw salaris nog een maand of zes uit te stellen, wellicht wijzigt de situatie zich inmiddels in gunstige zin. Schrijft u dan maar een paar brieven meer over muziek of toneel. Intussen kan ik slechts herhalen dat de toekomst niet erg rooskleurig is.’[41] Voor de gunst die aan hem als enige wordt verleend toont Vermeulen zich dankbaar: ‘Ik zal mijn erkentelijkheid omzetten in kopij en hoop dat zij goed genoeg zal zijn om u wederkerig voldoening te bezorgen. Vandaag vertrekken twee brieven direct per Franse vliegpost.’[42]

            Ook in Frankrijk werden de gevolgen van de wereldcrisis merkbaar. Eind 1930, een jaar na de crash op Wall Street, had de Parijse beurs een zwarte dag beleefd. Daarna nam de inflatie dramatische vormen aan, terwijl de rente zo laag was, dat niemand bereid was in eigen land te investeren en het kapitaal massaal naar het buitenland vluchtte. Een deel van het geld stroomde naar het failliete Duitsland in de vorm van leningen voor de modernisering van de industrie, waardoor men feitelijk meewerkte aan een verdere uitholling van de positie van Frankrijk op de internationale markt en Frans kapitaal bijdroeg aan de wederopbouw van de Wehrmacht. De handelsbalans was negatief, temeer daar de agrarische sector, die – in tegenstelling tot andere landen nog geheel op ouderwetse, kleinschalige leest geschoeid was – met problemen te kampen had. Franse landbouwproducten werden doorgedraaid en aan de beesten gevoerd of stonden op de velden te verrotten, terwijl pruimen uit Spanje, uien uit Egypte en vlas uit Rusland werden geïmporteerd. Al deze ongunstige ontwikkelingen, waarover ook het gewone volk dat zijn loon niet verhoogd zag, begon te morren, heeft Hugo Reynst uitvoerig beschreven in zijn artikelen.

            Intussen groeiden de kinderen Vermeulen op. Bij gebrek aan briefmateriaal is hun ontwikkeling niet te volgen, maar af en toe duiken zij op in de artikelen van hun vader, met hun zorgeloze atmosfeer een contrast vormend met de ernst van de behandelde onderwerpen. Zo meldde Vermeulen begin 1932 dat er een Franse vertaling was uitgekomen van een boek met de alarmerende titel Morgen wieder Krieg, ‘terwijl wij een kerstboom uitzochten om de nacht te herdenken, schoner dan de dagen,[43] waarin de eerste vredestijding verkondigd werd, en terwijl de kinderen op school het liedje zongen: “Oh vert sapin!”, wat een vertaling is van “O Tannenbaum!”.’ Op dit gegeven ging hij verder: ‘Gij wist misschien niet, dat dit van oudsher Duits-nationale gezang inheems is in Frankrijk? Ik ook niet, tot mijn kinderen het mij kwamen afdraaien in de Franse tekst. Ik moet bekennen dat het mij een kleine schok gaf. Een poosje later zongen zij “Alle Menschen werden Brüder” uit Beethovens Negende op de woorden:

 
            Plus de fratricides luttes,
            Plus de larmes, plus de sang,
            Il s’élève un chant de flûte,
            Calme et doux le soir descend.
 

Men heeft er geen idee van, welke indruk het maakt dit profetisch gezang te horen klinken uit de klare kinderstemmen ener Franse lagere school. Ik voor mij stond ervan bewogen als toen ik de melodie voor de eerste keer hoorde met orkest en koor. Waarom leren niet alle kinderen der aarde deze Beethovense hymne als het volkslied der toekomst?’[44]

            Eerder was al eens te lezen hoe de kinderen hun vader om hulp kwamen vragen bij het oplossen van de nodeloos ingewikkelde rekensommen die het Franse onderwijssysteem de hersentjes van elf- en twaalfjarigen oplegde. Hugo Reynst gaf zijn Indische publiek voorbeelden van rekenkundige kwellingen, waaraan hij zich thuis onttrok door te zeggen dat hij geen tijd had of dat zij te veel lawaai maakten om hem te laten nadenken. Ook vertelde hij, hoe bij examens van de lagere school onderwerpen voor een opstel werden gegeven, ‘die minstens uit een exentriek brein moeten opgeweld zijn, om niet te zeggen uit een malend brein’, zoals: ‘Verbeeld u een gesprek tussen een glas water en een glas wijn’ en ‘Veronderstel dat gij nog drie dagen te leven hebt. Hoe zoudt gij ze gebruiken?’ Volgens Vermeulen zouden dergelijke thema’s nog wel kunnen dienen als gezelschapsspelletje op een soos voor volwassenen, maar hij vond ze pedagogisch ongeschikt voor jongens en meisjes van twaalf jaar: ‘In gemoede: deze onderwijs-kwasten gaan te ver. Zij lopen met molentjes.’[45] Zoveel hij kon hield Vermeulen zich bezig met zijn kinderen. Hij wenste dat zij, als ze ouder waren, een andere herinnering aan hun vroege jaren zouden hebben dan hijzelf had en deed er alles aan om ze een onbezorgde jeugd te verschaffen. Op school waren zij (behalve de jongste) matige leerlingen, maar door de ouders werd geen pressie uitgeoefend om de ambities hoger te stellen.

            In de eerste maanden van 1932 kreeg men in Soerabaia verschillende stukken te lezen die aan de onderwerpen waren gewijd die Zentgraaff zijn correspondent had voorgesteld. Wat het toneel betrof, kon Hugo Reynst kiezen uit talloze stukken, waarvan het peil echter doorgaans bedroevend laag was, omdat ook in de theaterwereld de crisis had toegeslagen en directeuren moesten proberen om ondanks lage budgetten en teruglopende bezoekersaantallen toch nog goedkope successen binnen te halen. Bij de film waren eveneens platvloersheden te zien, zoals in het eerste product op dit gebied van Jean Cocteau, Le Sang d’un Poète. Daarentegen konden de technische perfectie en humor die René Clair in A nous la Liberté ten toon spreidde, wel Vermeulens bewondering wegdragen, al had hij last van de door Georges Auric gecomponeerde muziek, ‘die zonder onderbreking de banaliteit en de wanluidendheid verenigt van een ontstemd draaiorgel’.[46]

            Vaker dan gewoonlijk het geval was, kwam de muziek aan bod. In deze tijd heeft Vermeulen de eerste Parijse uitvoering bijgewoond van het Vioolconcert van Stravinsky. Ook heeft hij Ravels Pianoconcert gehoord, kort na de wereldpremière. Eigenlijk gaf zijn perskaart hem voor dit laatste evenement recht van toegang, maar ‘er was een zodanige toeloop voor de avond, dat honderden melomanen en de critici van bijna alle bladen de deuren gesloten vonden. In de Salle Pleyel ontwaarde men tussen drieduizend samengepakte hoorders geen vierkante decimeter meer van de vloer en met een menigte collega’s bevond ik mij onder de geweigerden’. Hij was dus aangewezen op een herhaling, waarbij Ravel – ‘grijs geworden als een zilvermeeuw en bruin-rood als een baksteen’ – zelf dirigeerde met de hem kenmerkende ‘automatische, houterige en hortende gebaren in de lucht’.

            Voor Vermeulen vertegenwoordigden beide nieuwe werken volstrekt tegengestelde polen. Het Vioolconcert van Stravinsky vond hij gespeend van interessant thematisch materiaal. Hij zag het als een zorgelijke ontwikkeling dat men de componist het ontbreken van inventie, originaliteit, fantasie en persoonlijkheid niet aanrekende, maar dit eerder als een aanbeveling beschouwde. Ontzet was Vermeulen over de uitspraak van Stravinsky dat hij de emotie uit de muziek wilde bannen en over de aanhang die hij zich met zijn nieuwe esthetiek verworven had. ‘Men waardeerde vroeger dat muziek tot het hart sprak, men verwachtte het, men vergde het. Vandaag kondigt men als gebod af, dat muziek gecomponeerd moet worden met de precisie en de nuchterheid ener notariële acte. De subliemste stijl werd die van een deurwaarders-exploot, van het Burgerlijk Wetboek. Stravinsky proclameert dat hij niet meer wil ontroeren, dat de emotie onder de laagste functies behoort van het kunstwerk, en, bovendien, van het menselijk organisme. Deze afwezigheid van elke innerlijke resonans wordt hem aangerekend als de hoogste lof.’[47]

            Neen, dan was de muziek van Ravel van een geheel andere orde: ‘Ravels muziek was altijd in hoge graad tonisch. Tonisch natuurlijk in de zin van versterkend, opwekkend en geneeskrachtig. Men behoeft haar niet te bevatten, noch te doorvoelen om het effect te ondervinden harer weldadige uitstroming. Zij roert nimmer tot tranen, maar als zij zacht klinkt, kalm en elegisch, voert zij de geest naar regionen, op de grens ener wonderlijk tere helderheid en transparante, ijle schaduwen, waar alles wat het gemoed zou kunnen verwarren geweerd is, waar alles af- en aanvloeit met een stille geleidelijkheid, die onverstoorbaar schijnt, en waar men bevrijd van elke kwelling, zelfs van elke mogelijkheid van kwelling, uitrust als in zalige, hemelse onbewustheid.’ Over het nieuwe werk is Vermeulen lyrisch: ‘Nooit hoorde ik een concerto, dat mij zo kort leek, ofschoon ‘t een half uur duurde en de ganse finale gebisseerd werd. Hoewel er slechts tien blazers en een harp samenspelen met het strijkkwintet, zag ik ook nimmer een orkest dat mij zo vol toeklonk. Het motivisch materiaal is bij Ravel nooit bijzonder belangrijk, doch de eerste maten trilden nauwelijks weg, of men had de overtuiging dat hij zijn doel even veilig zou bereiken zonder thema’s.’

            Hoe verbaasd zal Vermeulen geweest zijn de piano bij het adagio een cantilene te horen inzetten, die sterk verwant is aan de fluitmelodie, waarmee de Passacaille van zijn eigen Vliegende Hollander-muziek begint en die zich later tot een van de koralen ontwikkelt. Ravels eenvoudige, zangerige en sereen gewelfde melodie gaf hem de impressie van ‘een zeer loutere atmosfeer of van een gemoedsgesteldheid, die een onzegbare vrede met zich draagt’. Vermeulen had bij het maken van zijn eigen compositie voor het probleem gestaan hoe de dissonant in welluidendheid om te buigen. Daarom beschouwde hij het als een grote verworvenheid van Ravel, dat hij dezelfde moeilijkheid volkomen had opgelost, reden om het artikel de titel ‘Consonanten’ mee te geven: ‘Bij Ravel merkt men geen ogenblik het probleem. Waar hij drie verschillende toonsoorten gelijktijdig combineert, klinken zij bekoorlijk als terts van Rossini of Mozart. Met een weergaloos meesterschap leidt hij ons over het slappe koord der gewaagdste akkoorden en toonverbindingen. Men duizelt geen seconde. Het idee van onveiligheid zelfs is buitengesloten. Men moet de dissonanten, de tegenstrijdigste ingrediënten van klank en timbre zwart en wit gedrukt zien op de vijflijnige notenbalken om eraan te geloven.’[48]

            Dit artikel is geschreven op 29 januari 1932. Uit geen enkel document blijkt dat er verband bestaat tussen het horen van Ravels werk en het weer oppakken van muzikale arbeid, maar het kan nauwelijks toeval zijn dat Vermeulen juist in februari is begonnen met het orkestreren van zijn lied La Veille, waarin klank, timbre en de behandeling van de dissonant zo’n grote rol spelen. Misschien heeft de componist dit werk aangevat omdat een lied met orkestbegeleiding wellicht nog enige kans had om uitgevoerd te worden, terwijl hij voor een vierde symfonie nergens op hoefde te rekenen. De orkestratie kan ook zijn begonnen op instigatie van Ernst Lévy die de uitvoering van een orkestlied als een mogelijkheid beschouwde om de symfonieën van zijn vriend bij dirigenten te introduceren.

            Was een herhaling van de verschrikkingen van de Eerste Wereldoorlog te voorkomen door de herinnering levend te houden en op te roepen tot waakzaamheid? Vermeulens artikelen wekken de indruk dat hij vanuit die gedachte zijn onderwerpen bepaalde. Hij toonde zich sterk aangegrepen door de verfilming van Les Croix de Bois van Roland Dorgelès, het eerste boek waarin ‘een kunstenaar de ogen zijner medemensen opende voor de onvermoede jammeren van de oorlog’. In zijn stuk schetste Vermeulen nog eens het beeld van de waanzinnige verwoesting van mensenlevens: ‘De ene helft der natie fabriceerde bommen voor 40 francs per arbeidsdag, de andere helft moest zich door bommen laten vergruizelen voor een soldij van 5 stuiver per etmaal. De ene helft toog kalm naar haar werk, at, dronk, sliep, vrijde en trouwde, nam vakantie en danste in de casino’s, de andere helft doorworstelde radeloos de negentig kringen van levend verdoemden, waarin een onontwijkbare stemming hen gedreven had. Eén man op elke zes zou nimmer het eind aanschouwen dezer dagen van verwerping. Drie op de vijf zouden gemarteld worden in hun ledematen, herstellen onder het mes der dokters, om terug te keren naar hun foltering. Allen zouden zich de vloek herinneren en de nachtmerrie die voor de uitverkorendsten twee en vijftig maanden geduurd had. En wie of wat leidde de keuze? Wie of wat hanteerde de wannen, de immense zeef van vuur, ijzer en gas, waardoor de 8.501.045 gemobiliseerden man voor man passeerden? Ieder had een ziel, een hart, dat in moedeloze uren een gebed prevelde, een zwijgende klacht, welke nergens, noch in de hemel, noch op aarde, verhoring vond. Waarom die opeenstapeling van krankzinnige dwaasheden en vertwijfeling? Waarom die verlatenheid, die beproevingen, dat onmenselijke lot, waaruit men niets ontraadselde dan een mateloze onrechtvaardigheid? Waarom? Waarvoor? La France? Maar wat is La France? En wie kon opbeuring hopen van een idee, van welk idee ook, zelfs van ‘t idee der overwinning, daar niemand wist of hij de zon nog éénmaal zou zien dalen of rijzen over de loopgraaf?’[49]

            Gezien Vermeulens ongerustheid is het niet verwonderlijk dat in de artikelen van dat jaar de instabiliteit van de wereld centraal staat. Dikwijls komt de onmacht ter sprake van de Volkenbond in het beslechten van internationale conflicten. Ondanks deze wereldomvattende organisatie en ondanks het Kellogg-pact is Japan, lid van de Volkenbond, een agressieoorlog begonnen tegen China en er was geen onderhandelaar die de aanvaller tegen kon houden. Hoewel Vermeulen in principe instemde met de voorstellen van Frankrijk om de Volkenbond te voorzien van een internationale legermacht, bestaande uit troepen van de afzonderlijk staten, somde hij ook een groot aantal praktische vragen op, die het plan voor hem voorlopig tot een utopie maakten. Hoe komt men tot een onpartijdig opperbevel? In welke taal zal het commando gevoerd worden over een Babylonisch samenraapsel? Op wiens grondgebied moeten de noodzakelijke oefeningen gehouden worden? Hoe zal men geraken tot een homogeniteit van instructie en gebruikt materieel? Kan het leger snel genoeg worden ingezet? Waarvandaan moet het bevoorraad worden? Het zijn allemaal vragen die tot op de dag van vandaag actueel zijn gebleven.

            Ook aan de ontwapeningsconferentie die in 1932 in Genève gehouden werd, besteedde Vermeulen veel aandacht. Hij was fel gekant tegen de verregaande voorstellen van Amerika om de Franse defensie aan banden te leggen, zonder daar garanties tegenover te stellen, terwijl Duitsland niets in de weg werd gelegd bij zijn herbewapening. Vooral de door Engeland ondersteunde eis tot een aanzienlijke reductie van de Franse vloot, op basis van het argument dat de Duitse marine haar schepen in 1918 vrijwillig tot zinken had gebracht, vond hij onrechtvaardig en des te gevaarlijker, aangezien Mussolini op dat moment met aanzienlijke uitbreiding van zijn Middellandse-Zeevloot bezig was. Meermaals bracht hij in herinnering hoe slecht Frankrijk in 1914 op de oorlog was voorbereid en waarschuwde hij voor het gemak waarmee de Franse socialisten thans hun wapens uit handen wilden geven. Binnen de huidige constellatie was er naar Vermeulens mening maar één conclusie te trekken: ‘Ontwapening is mooi, ontwapening is menselijk, is nuttig, maar ontwapening is onmogelijk, ontoelaatbaar, ontwapening voert regelrecht ten verderve.’[50]

            Bij de redactie van het Soerabaiasch Handelsblad kwamen geleidelijk aan steeds meer klachten binnen over de duidelijke stellingname van de Parijse correspondent. Hoofdredacteur Zentgraaff werd wat ongerust en schreef omzichtig: ‘Mag ik nog eens gemoedelijk met u praten? Ik weet dat u mij nooit zult verdenken van poging tot beïnvloeding van uw werk. Eerlijk gezegd: ik beschouw u als onze beste medewerker. Toch moet ik u eraan herinneren dat wij in Indië een zeer internationale samenleving hebben, met sterk Duitse inslag. En... zolangzamerhand zal het gehele Duitse element hier zich van ons blad hebben afgewend. Ik vraag mij af: is dit niet te voorkomen, zonder in enig opzicht uw consciëntie, journalistieke vrijheid geweld aan te doen? Is het wel nodig en nuttig dat steeds alles wordt gezegd? U is zo veelzijdig, en een zo begaafd causeur. Is het niet mogelijk, bij zulke superieure eigenschappen, een weinig de onderwerpen van al te sterke prikkeling van het Duitse sentiment te vermijden? Ik moet met deze opmerking volstaan en vraag er alleen uw welwillende aandacht voor.’[51] Na dit beroep van zijn chef is Vermeulens toon echter niet merkbaar gewijzigd. Ook kwam er geen verandering in het aantal stukken waarmee de internationale verhoudingen aan de orde werden gesteld.

Een enkele maal behandelde Vermeulen ook filosofische onderwerpen. Uit twee omvangrijke artikelen blijkt welk belang hij hechtte aan de verschijning van Les Deux Sources de la Morale et de la Religion van de grote Franse denker Henri Bergson, die daarmee op hoge leeftijd een afronding gaf aan de filosofie die hij aan het begin van de eeuw in L’Evolution créatrice had uiteengezet. Kort samengevat luidt deze filosofie aldus. Het leven is voortgekomen uit een niet nader omschreven kracht, door Bergson ‘l’élan vital’ genoemd. De natuur experimenteerde in twee richtingen: het dierlijk instinct, dat bij insecten tot zijn hoogste ontwikkeling kwam, en het intellect, dat zich ontplooide in het menselijk wezen. Beide afzonderlijk genomen voldoen niet en lopen dood. Het instinct, dat alles begrijpt maar niets kan, is verzand in automatisme; het intellect, dat in staat is de materie te beheersen, is niet bij machte het leven te doorgronden. Het lijkt alsof de verstandelijk opererende mens van de universele natuur is losgescheurd. Bergson zag een oplossing in de intuïtie, de versmelting van instinct en intellect.

            Eerder in zijn leven had Vermeulen dit boek uit 1907 al bestudeerd. Hij koesterde een grote bewondering voor Bergsons helderheid van denken en de door hem ontwikkelde zienswijze, die revolteerde tegen het eenzijdige intellectualisme van de vorige eeuwen, al kon hij de eraan verbonden conclusie nooit helemaal onderschrijven; in die tijd stelde Vermeulen zelf het intellect voorop.[52] Ook had hij steeds nog iets gemist in Bergsons wereldbeschouwing: een nadere uitwerking van ‘l’élan vital’. Daarom toonde Vermeulen zich gelukkig met het perspectief dat in het nieuwe boek geboden werd, het perspectief van de Mystieke Mens, en in het bijzonder met de wijze waarop Bergson zijn denkbeeld in woorden had gevat: ‘Zijn geheel neutrale positie belette Bergson niet de mystieke mens te analyseren met een nauwelijks onderdrukte verrukking, met een vervoering, hier en daar waarvan men het gelijkwaardige accent slechts terugvindt bij een Paulus, een Hadewych, een Catherina van Siena. Over de Schepper, die Liefde is, die Liefde zoekt, en schepselen wil, waardig om bemind te worden, waardig om zich te associëren aan de goddelijke onderneming, waardig om verheven te worden tot de rang van Adjutores Dei, helpers, bondgenoten van God, over deze normale, geenszins abnormale of supra-normale mensen die op een weerspannige planeet en ondanks een weerbarstige materie mens genoeg werden, om zich in een onuitsprekelijke alliantie te verenigen, te vereenzelvigen met het scheppende Princiep, schrijft hij bladzijden, waar elke poging tot nauwkeurigheid en wetenschappelijke objectiviteit drijft tot een hogere bezieling, tot een gloeiender betoog. Men is verwonderd, verstomd, dat de verificatie van een “natuurlijk experiment”, de ontleding van een “psychisch mechanisme” kan transporteren tot de regionen van de dichter, en van “de Liefde, die de zon drijft en de andere sterren”.[53] Wij zijn dat weinig gewoon van filosofen.’[54] Later, bij het formuleren van Vermeulens eigen filosofische geschrift, Het Avontuur van de Geest, zal blijken welk een stimulerende werking de Franse wijsgeer op de vorming van zijn wereldbeschouwing heeft gehad.

            Gedurende de zomer had de Geneefse conferentie de verdeeldheid van Europa aan het licht gebracht. Met leedwezen constateerde Vermeulen dat de Volkenbond niet in staat was gebleken paal en perk te stellen aan de defensie-uitgaven van haar leden. In zijn ogen had de ontwapeningsconferentie schipbreuk geleden door haarkloverijen. Hij had graag gezien dat men was gekomen tot de opstelling van een soort catechismus, waarmee de vredesvraagstukken op een logische, Socratische wijze opgelost zouden kunnen worden: ‘Waartoe dienen wapenen? Om oorlog te voeren. En waarom voert men oorlog? Om iets te beschermen dat men heeft of om iets te verwerven dat men mist. Welke zijn de volkeren die bezitten wat zij wensen, welke zijn de volkeren aan wie ontbreekt wat zij verlangen? Waar zijn de minste, waar zijn de meeste oorzaken of aanleidingen om naar de wapenen te grijpen? Wie derhalve behoren allereerst ontwapend te worden? Vragen en antwoorden zijn kinderlijk eenvoudig. Zij domineren het mensdom van Abel en Kaïn af. Men kan ze negeren maar men kan aan de consequenties niet ontsnappen. Zonder de keuze, zonder de schifting en zonder de maatregelen, welke zij behelzen, welke zij voorschrijven, zal geen Volkenbond, geen conferentie ooit kunnen streven naar ontwapening en tegelijk naar Vrede.’[55]

            In de tweede helft van 1932 werd de situatie voor Frankrijk steeds bedreigender. Enerzijds was de defensieve kracht van het land ernstig aangetast ten gevolge van het sinds jaren dalende geboortecijfer en het groeiend aantal immigranten, een onzekere factor voor de generale staf. Anderzijds hield Italië op niet mis te verstane wijze vlootoefeningen in de Middellandse Zee, door Mussolini in navolging van de oude Romeinen ‘mare nostrum’ genoemd, en werkte Duitsland, zich beroepend op ‘Gleichberechtigung’, aan een verdere herbewapening. Vermeulen nam met schrik kennis van de plannen die binnen Nazi-kringen beraamd werden om door middel van gefingeerde luchtaanvallen Frankrijk tot een militaire tegenactie te provoceren. Informatie voor zijn artikelen putte Hugo Reynst niet alleen uit de grote landelijke bladen, maar ook uit allerlei kleine provinciale organen ‘waarvan men geen zes exemplaren zal ontdekken in de kiosken der hoofdstad.’[56] Het vergaren van documentatie kostte hem veel energie. Toen Ruyneman in het najaar eens schreef dat hij met ongeduld uitzag naar Vermeulens volgende werk, antwoordde deze: ‘Mijn tweede violoncelsonate ligt onvoltooid. Gebrek aan tijd. Het journalistiek werk absorbeert mij geheel, en hoe langer hoe meer. Onmogelijk om twee zulke antinome heren te dienen.’

Aan het begin van die maand heeft hij onder de titel ‘Symfonie der stad’ een artikel geschreven naar aanleiding van de romancyclus Les hommes de bonne volonté van Jules Romains, waarvan de eerste vier delen kort daarvoor verschenen waren. Hij stuurde het zowel naar Soerabaia als naar De Gids. Het verhaal, waarin Romains op virtuoze wijze de geschiedenis van vele personen door elkaar weeft, vangt aan in het najaar van 1908. Dit riep bij Vermeulen sterke herinneringen op aan ‘de Elysese herfst’ van dat jaar, toen hij in Amsterdam bij Daniël de Lange studeerde en het isolement van zijn kleine kamertje afwisselde met lange wandelingen in en rond de stad: ‘De barometer wees onveranderlijk 770. De groene velden blauwden in een onwaarschijnlijk licht. Elke avond stak men het hoofd uit ‘t raam om te raden of dat hemelse seizoen zijn record een dag zou vervolgen. De luchtdruk, de temperatuur, het ondoorgrondelijke uitspansel, de overvloed van zuurstof, de behaaglijkheid, het geluk, en ook het ongestilde, onstilbare verlangen, die het klassieke klimaat vormen der schoonheid, vanaf de Grieken tot Goethe en Beethoven.’ Het verheugde Vermeulen een auteur te kunnen begroeten, in wie dezelfde traditionele schoonheidsdrang aanwezig bleek en die zijn roman liet spelen ‘in de montere en elegische, in de verrukkelijke en ongelooflijke glans ener weldadige en betoverende zon’. Hij is opgetogen over de wijze waarop Romains een tastbaar beeld weet op te roepen van het veelzijdige leven in Parijs met ‘achter heel deze wemelende polyfonie het gezang van Eros als cantus firmus’. Het inspireert Vermeulen op zijn beurt tot een sfeerschildering in de vorm van een litanie van anderhalve pagina op de Franse hoofdstad, zoals zij was aan het begin van de eeuw. Samenvattend concludeert hij over de eerste delen van Romains’ cyclus: ‘Zij zijn de synopsis onzer eeuw, de kroniek van Parijs, de vergaarde en gebundelde echo’s van onze jeugd, van wat wij gevoeld, gedacht, gedaan, gehoopt, gehoord, gezien, bewonderd en bemind hebben.’[57]

            De atmosfeer in Parijs is echter totaal veranderd. In de winter van ‘32-’33 wordt de stad het schouwtoneel van grote betogingen tijdens de kamerdebatten over de afbetaling van de oorlogsschulden aan Amerika. Na de verkiezing van president Roosevelt had men in Frankrijk hoop dat er over versoepeling van de bestaande regeling te praten zou zijn, maar al spoedig bleek dit niet het geval. Terwijl Amerika zijn protectionistisch beleid onverminderd voortzette, bleef het aan zijn eis vasthouden van onbeperkte toegang tot de Franse markt in ruil voor kwijtschelding van een klein deel der schulden. Het verbaasde Vermeulen dat er in de Franse pers weinig bezwaar werd geuit tegen de plannen van de regeringspartijen om ondanks de verslechterde economische situatie alles tot de laatste cent terug te betalen en de bevolking daarvoor de rekening te presenteren. Zelf dacht hij er anders over. Het deed hem dan ook deugd, dat er actie ontstond onder leiding van studenten die de leus lanceerden: ‘Pas un sou à l’Amérique’.

            Onder deze druk viel het zoveelste kabinet; een volgende regering werd gevormd met grotendeels bekende gezichten: ‘hetzelfde carré der oude garde dat reeds voor de fotografen defileerde toen de bet-oud-overgrootvaders die het leer leverden der portefeuilles nog in de wei graasden’.[58] Een nieuwe minister van financiën, die in de tijd dat hij in de oppositie was verstandige geluiden had laten horen, wekte enige verwachting, maar zijn begroting liet lang op zich wachten. Intussen kwamen allerlei groeperingen voor hun belangen op en werd er overal gemanifesteerd. Vermeulen was zeer onder de indruk, toen op 25 januari 1933 ‘een divisie boeren, samengestroomd uit de verwijderdste streken van het land, in een Siberische koude’ door Parijs marcheerde: ‘Eerst brachten ze onder de Arc de Triomphe een bezoek aan de Poilu Inconnu en hielden een minuut stilte. Daarna trokken ze in gelid en vastberaden naar de raaskallende Kamer, die achter haar zware ijzeren hekken verdedigd was door cavalerie en infanterie. Men knokte en men arresteerde. De Bastille werd nog niet ingenomen. Maar op de dag dat zij moet vallen zal zij genomen worden door patriotten. Ik durf dit voorspellen.’[59]

            Het hek was van de dam toen de minister van financiën na twee maanden plannen presenteerde, die in plaats van constructief te zijn alleen maar kaalslag inhielden: een aanzienlijke belastingverhoging naast verregaande bezuinigingen die gerealiseerd moesten worden door het leger een soldijverlaging op te leggen gekoppeld aan een promotie-stop voor een jaar, en door gedurende eenzelfde tijd geen nieuwe ambtenaren aan te stellen. Vooral het laatste vond Vermeulen ontmoedigend voor de jeugd die nu op scholen en academies bezig was af te studeren zonder vooruitzicht op werk. De maatregelen waren overigens zo draconisch, dat zelfs de middenstand staakte. Te midden van alle troebelen bestempelde Vermeulen, die geenszins anti-republikein was, het manifest waarin troonpretendent hertog Jean de Guise de monarchie aanprees als oplossing van alle problemen waartoe de dictatuur van de Staat had geleid, als een in menig opzicht redelijk betoog. Van de klerikale ideeën van de monarchisten echter moest hij niets hebben.

            Vermeulens stellingname ontsnapt aan een duidelijke indeling in de categorieën links of rechts. Enerzijds is hij met zijn afwijzing van het kapitalisme en zijn sympathie voor de arbeidersklasse allerminst onder de laatste categorie te rangschikken. Anderzijds vond hij de parlementaire democratie zoals die in Frankrijk functioneerde, hopeloos falen. Hij constateerde dat de vriendjespolitiek van de regerende linkse coalities een slagvaardig beleid onmogelijk maakte en pleitte meermaals voor een sterk, niet-gekozen bestuur dat gezond verstand boven ideologie zou stellen teneinde pragmatische oplossingen te bieden voor de problemen waar het land mee te kampen had. In zijn stukken schroomde hij niet met eigen, vaak originele voorstellen te komen.

            Ofschoon niet afkerig van een autocratisch bewind van gespecialiseerde bestuurders was Vermeulen tegelijkertijd beducht voor vestiging van een dictatuur, zoals hij die al enige tijd in Duitsland zag aankomen. In tegenstelling tot veel Franse commentatoren, die in koor hadden geroepen dat Hitlers invloed wel weer zou tanen, was hij niet verbaasd toen diens partij in januari 1933 de verkiezingen bleek te winnen. Na de machtsovername volgde Hugo Reynst de ontwikkelingen met argusogen. In maart al maakte hij er melding van hoe communisten en socialisten aan de overzijde van de Rijn bij duizenden ‘vermoord, verjaagd, geplunderd, gekneveld en gefolterd’ werden. Bepaald huiveringwekkend is het artikel dat hij in dezelfde maand schreef naar aanleiding van de vijftigste sterfdag van Richard Wagner, die in het licht van de jongste ontwikkelingen met zijn Ring der Nibelungen de rol leek te gaan vervullen van profeet: ‘Gisteren nog schenen de drama’s geconcipieerd op een innerlijk plan, dat slechts leidde tot consequenties van esthetische, muzikale, poëtische of scenische aard. Langzaam echter haalde een verborgen machinist zijn tweede scherm op. Nevels vervagen en verdwijnen. De gestalten krijgen een accent, een ritme, een kleur, een waarheid, die wij nooit vermoed hebben en die hen onbeschrijflijk indrukwekkender maken. De grimmige Wotan treedt in ‘t volle licht. Hij is de handhaver van verdragen en contracten, waartegen hij gromt, welke hij tekende uit nooddwang, waaraan hij zich met weerzin onderwerpt, omdat een god zelfs het gegeven woord gestand moet doen dat gebeiteld staat in zijn speer van essenhout. Doch hij heet niet meer Wotan. Hij heet Paul von Hindenburg, die onwillens, evenals de vader der Walküren, verraad pleegde aan overeenkomsten en zijn trouw schond. Naast de Allvater onthult en incarneert op zijn beurt zich Siegfried. Hij hersmeedde het zwaard dat gebroken ontviel aan de handen van Siegmund. Tevergeefs heeft Wotan hem de weg versperd met de goddelijke speer. Siegmund sloeg en zij brak in splinters. Onder hoorngeschal zakt hij de Rijn af. Maar hij is niet meer de smidsleerling die de blaasbalg trekt en een aambeeld in tweeën splijt. Hij is de huisschilder Adolf Hitler. Hij doodt de draak die het vervloekte goud bewaakt. Hij bemachtigt de vonkelende ring. Hij wekt Brünnhilde-Duitsland uit haar slaap. Wotan moet voor hem wijken. Over vlakten en valleien schetteren zijn klaroenen, alom beantwoord, over velden en bossen, door een wedergalm van signalen.’

            In Wagners vierluik (tachtig jaar oud inmiddels) ziet Vermeulen een projectie van alle ontwikkelingen in Duitsland tot en met Hitlers artistieke annexatie van Bayreuth (het huwelijk tussen Siegfried en Brünnhilde). Dan doemt voor hem de beangstigende vraag op, hoe het in deze twintigste-eeuwse Götterdämmerung verder zal gaan: ‘Wat sponnen de Nornen in de nacht en in de grauwe schemering? Haar draad brak, als de speer van Wotan, en haar verschrikte kreet zwol uit tot een zengende treurmars. Zullen wij het vervolg zien, gelijk wij het voorafgaande bijwoonden? Zal de Gibichungen-Halle vlammen tot de poorten van het Walhalla en zal de vermoorde held een brand ontsteken waarvan de spranken opwaaien naar de woning der hemelingen?’[60]

            Ook de Franse regering toonde zich ongerust over de tekenen des tijds; zij vaardigde bevelen uit om de fortificaties rond Parijs te versterken en trof toebereidselen voor een mobilisatie. Met opluchting constateerde Vermeulen dat er voortvarend aan de Parijse vesting werd gewerkt; nergens was sprake van demoralisatie of dienstweigering. Hij vond het een goed teken, dat nu ook de communisten en socialisten meewerkten aan versterking van de defensie. Zijn inschatting was dat de oorlog waarvoor op enkele ministeries al gevreesd werd, voorlopig niet zou uitbreken. Om aan de dreiging het hoofd te bieden liet Frankrijk zich door Engeland overhalen gezamenlijk een Vierbond te sluiten met Duitsland en Italië, een stap die Vermeulen maar gedeeltelijk kon goedkeuren, omdat het pact niet anders beschouwd kon worden dan als een capitulatie voor ‘twee hartgrondig verfoeide fascismen’ en hij wel zag dat het voor de kleine landen in Europa een gevaar opleverde.[61] Zijn verontwaardiging werd gewekt door drie Amerikaanse senatoren, die openlijk hadden gezegd dat een vechtend Europa nog het beste uitkomst zou bieden voor de problemen waarin hun land verkeerde.

            Luttele tijd na Hitlers machtsovername bevonden zich alleen al in Parijs 25.000 Duitse uitgewekenen en verschenen er twee speciale kranten voor deze vluchtelingen. Ondanks hun waarschuwende aanwezigheid en ondanks de economische crisis werd er in dat voorjaar door de happy few volop feest gevierd en gingen de Parijzenaars uit alsof er niets aan de hand was. Greta Garbo, La Argentina, Marlène Dietrich, Richard Tauber, Tito Schipa, Ramon Novarro, het Concertgebouworkest met Mengelberg, het Berlijnse orkest onder Furtwängler, allen werden zij als nooit tevoren binnengehaald en behaalden zij ongekende triomfen. Na het succes van de Koloniale Tentoonstelling begon de gemeenteraad optimistische plannen te smeden om in 1937 een Internationale Kunstnijverheidstentoonstelling te houden, waarvoor een betonnen toren van 700 meter zou moeten verrijzen! In de vakantie trokken meer mensen dan ooit eropuit en haalden de badplaatsen recordaantallen bezoekers. Werd in Parijs de vorige zomer het straatbeeld bepaald door de rage van de jojo, nu zag men overal de Velocar, een tweewielig voertuig met een comfortabele rugleuning, fietstrappers en een autostuur, waarmee men over de wegen peddelde. Na een lange periode van voelbare spanningen kon Hugo Reynst schrijven: ‘Er is voor het eerst sinds vier jaar weer een atmosfeer om de stad, waarin men de notie kan verliezen van zorgen en kommer. Wie ‘s avonds door de Champs-Elysées rijdt, komend uit het Bois de Boulogne, waant verplaatst te zijn naar de Tuinen van Armida, of de ware Elysese Velden, beide bezongen door Gluck. Hier zou men met Novalis kunnen wensen, dat nooit een morgen weder opging.[62] Welk een gedicht en welk een muziek, deze kilometer-lange omloverde baan, van de Triomfboog met zijn hoge kroon van getemperde glans, langs de nieuwe kristallen licht-fonteinen van Lalique, tot aan de stralende Obelisk van Ramses II op de Place de la Concorde! Welk een meesterwerk van vervloeiende tinten, van gesluierde kleuren, groen en rood, van gedempt rumoer, is deze dagheldere nacht! Nergens schijnt zo de volle maan als hier de elektriciteit. Waar wordt kunstlicht zo natuurlijk, zo evenwichtig, alsof het is voortgebracht door de nacht zelf? Waar werd het mechanische, het moderne, en alles wat leek te vloeken met onze innerlijke aard, zó menselijk, zó harmonisch? Welk een schoonheid! Men moet zich geweld aandoen te geloven, dat tien straten verder de kranten hun telegrammen ordenen, welke over de kabels spoeden als langs de draden van schikgodinnen.’[63]

            Behalve door de internationale politiek werd Vermeulen intensief beziggehouden door de wereldwijde economische crisis. Hij wijdde een kritisch artikel aan het wereldbeeld van Marx, die in de visie van Vermeulen met zijn voorspellingen over de toenemende concentratie van kapitaal en de komende dictatuur van het proletariaat de plank had misgeslagen. Ook overdacht hij in zijn stukken de rol die de gigantische Japanse overproductie in het geheel speelde; hij lanceerde een plan om terug te keren naar hoge kwaliteitsnormen en te staken met de massale aanmaak van goedkope, smakeloze artikelen. Verder filosofeerde hij over ontsluiting van de drie continenten met lage bevolkingsaantallen: Australië, Zuid-Amerika en Afrika. Wat hem vooral aan het hart ging, was de werkloosheid die zo’n fnuikende uitwerking op jonge mensen had en waarvoor hij maar één oplossing zag: een radicale verlaging van de pensioengerechtigde leeftijd voor de arbeiders in alle landen. ‘Men zou kunnen beginnen met de grens te stellen op 45 jaar. Desnoods op 40 jaar. Al zou men zich gedwongen zien te zakken tot 35 jaar, onze dringendste zorg moet zijn de revalorisering der Europese jeugd. Dit systeem is niet kostbaar, of slechts weinig kostbaarder dan de methode der uitkeringen. Behalve dat het miljoenen jonge mannen bevrijden zal van deprimerende zelfkwellingen, van hopeloosheid en oproerige bevliegingen, behalve dat het aan miljoenen onzer naasten een rechtmatig gevoel zal hergeven hunner menselijke waarde, behalve dat het de maatschappelijke verhoudingen zal harmoniseren en onze eigen gewetens zal stillen, heeft dit systeem het onschatbare voordeel dat het arbeidsreserven schept voor de betere tijden waarnaar wij ondanks alle bekommernissen moeten blijven trachten.’[64]

            In september 1933 besteedde Vermeulen weer veel aandacht aan de permanente oorlogsdreiging. Onophoudelijk kwamen er gevallen in de publiciteit van spionage rond de nieuwe Franse fortificaties aan de grens met Duitsland, terwijl Italië een verhoogde belangstelling aan de dag legde voor de Alpen. Zeer verontrustend vond Vermeulen de revanchistische gevoelens van Duitsers en Italianen, die zich openlijk manifesteerden. In een vredige plaats als Lourdes had een groep Duitse bedevaartgangers op de voorbede van de priester ‘Onze Lieve Vrouw van Lourdes geef ons de vrede’ tot tien maal toe geantwoord: ‘Onze Lieve Vrouwe geef ons revanche’.[65] Frankrijk bereidde zich op het ergste voor en gaf alle reserve-officieren een driedaagse instructie voor een op handen zijnde algehele mobilisatie. Voor het eerst werd de pers afzijdig gehouden van legeroefeningen met nieuw materieel. Wel kreeg zij informatie over de kleine, snelle torpedoboten die onlangs ontwikkeld waren. Op diplomatiek niveau stelde het land intussen alles in het werk om het tij te keren. Een Frans voorstel om alle landen elkaars wapenarsenaal te laten controleren haalde het evenwel niet bij de Volkenbond, die bevreesd was de consequentie te moeten trekken van sancties bij het constateren van een overtreding van de contingenten.

            Minder dan in voorgaande jaren, maar toch nog wel regelmatig liet Vermeulen ook andersoortige onderwerpen aan bod komen. Zo schreef hij een bewogen artikel over de schoonheid van de prehistorische grotten van Montespan en Labastide, naar aanleiding van het boek dat de ontdekker (Norbert Casteret) had laten verschijnen. Met warmte en bewondering herdacht Vermeulen bij hun dood twee van Frankrijks grootste wetenschappers op medisch gebied, beide medewerkers van het Institut Pasteur: Albert Calmette, uitvinder van het vaccin tegen tuberculose, en Pierre Roux, die een serum vond tegen difterie. De paradepaardjes van de jaarlijkse automobieltentoonstelling kon Hugo Reynst voor zijn lezers niet overslaan. Het nieuws was nu niet zozeer gelegen in technische veranderingen als wel in de ontwikkeling van een aerodynamische lijn. Op het gebied van de kunsten signaleerde hij de sterk antisemitische inslag van het toneelstuk L’Eglise, het tweede werk van Louis-Ferdinand Céline, wiens debuutroman Voyage au bout de la nuit Vermeulen aan het begin van het jaar tot een scherpe veroordeling bracht van zijn mensonterende tendensen. Tegenover de producten van deze aarts-misantroop stelde hij La Réponse du Seigneur van Alphonse de Chateaubriant, dat geconcipieerd leek vanuit de gedachte die ook Bergson in zijn laatste boek had verwoord: ‘De voornaamste, de enige functie van de mens is de aanschouwing van het Wezen boven hem en de vereenzelviging met dat Wezen door een natuurlijke mimicry.’[66]

De volkswoede over het slechte functioneren van regering en parlement bereikte een kookpunt toen in januari 1934 het schandaal-Stavisky bekend werd. Deze figuur uit de Parijse onderwereld bedreef op grote schaal zwendel, daarbij geholpen door talloze omgekochte ambtenaren. Hij beheerde zowel een links als een rechts dagblad en kende ontelbare officiële personen. Veel kleine beleggers bleken ernstig gedupeerd door de uitgifte van valse obligaties die nota bene door een minister waren aanbevolen. Tot in de allerhoogste kringen genoot Stavisky protectie. Het duurde daarom lang voor justitie vat op hem kreeg. Hij werd gearresteerd, maar wist over de grens te vluchten en pleegde zelfmoord of werd vermoord. (Dit laatste vond Vermeulen het waarschijnlijkst.)

            Toen de banden van deze oplichter met de politiek in de openbaarheid kwamen, brak overal onrust uit. Het volk eiste gerechtigheid: verwijdering en bestraffing van de mede-schuldigen. Rond de parlementsgebouwen waar men over de zaak debatteerde, werden door rechts protestbetogingen georganiseerd, die de politie met harde hand uiteensloeg. Ook journalisten liepen daarbij rake klappen op. Toen begin februari bovendien functionarissen in wie het volk vertrouwen had, van hogerhand vervangen werden, gonsde het op straat rond de krantenventers die een extra editie in omloop brachten van L’Intransigeant. Toevallig waren diezelfde dag in heel Parijs de taxichauffeurs in staking, niet alleen tegen de invoer van een toeslag op benzine, maar vooral – zo kon men in Soerabaia onder de kop ‘Kruitdampen’ lezen – ‘wijl het gouvernement de benzine heeft aangelengd met een hoeveelheid onverkoopbare alcohol van beetwortelen en andere gewassen, wat het aanzetten der motoren even wisselvallig en enerverend maakt als in de tijden van olim, toen men zich vloekend in ‘t zweet werkte aan een zwengel. Dat is een der geneugten van de stage vooruitgang: als de mechaniek verbetert, verslechtert men de brandstoffen om de mechaniek weer te verbeteren’.[67]

            Onder de gehele bevolking nam de weerstand tegen de wanhoopsdaden van de regering toe en groeide de wens dat er radicaal schoon schip zou worden gemaakt. Door links zowel als rechts werd voor de zesde februari (1934) opgeroepen tot een grote betoging op de Place de la Concorde. Hoewel de regering haar onderdanen trachtte te ontmoedigen door melding te maken van het samentrekken van troepen in de stad, liet men zich niet intimideren en kwamen er op de bewuste dag honderdduizenden betogers samen uit alle lagen van de bevolking. Vermeulen was erbij en deed bewogen verslag: ‘In die menigte bevonden zich duizenden oud-combattanten, gespaard door vier jaar oorlog. Zij speldden hun decoraties op de overjassen, zij propten hun hoeden vol met oud papier om de slagen der knuppels te dempen. Daar waren er met een houten been, met een los wapperende mouw, met kunsthanden, met een zwarte lap op het oog. Daar waren blinden, geleid door kameraden uit de loopgraven. De Croix de Feu, gedecoreerd in de eerste linies, onder het vuur. Reserve-officieren van leger, vloot en luchtvaart. Studenten van alle faculteiten. Dokters. De Balie. Patroons en bedienden. Een deel van de Parijse gemeenteraad. De gehele middenstand. De Beurs. De Burgerij. De ouderdom naast de jeugd. Er bevinden zich vrouwen onder hen en jonge knapen.’

            Toen deze mensenmassa zich achter een spandoek met de tekst ‘Nous entendons que la France vive dans l’honneur et la propreté’ in beweging zette in de richting van de vergaderende Kamer onder het zingen van de Marseillaise en ‘Ça ira! ça ira! Les députés à la lanterne’, werd zonder waarschuwing vooraf het vuur op de menigte geopend en ging de Garde Républicaine resoluut in de aanval met sabels en revolvers: ‘Hakkend en schietend renden zij in voortdurend ruimere cirkels over het plein. Gardisten te voet wierpen zich op de gewonden die probeerden op te staan en beukten tot ze bezwijmden. Toen het plein was “schoongeveegd” chargeerde de Garde nog de kleine groepjes, die gewonden poogden weg te dragen. Er is zelfs gechargeerd door vrachtauto’s en men raapte een dode op met een hoofd plat als struif.’

            Daags na de slag deed de regering het voorkomen dat de betoging een complot tegen de staat behelsde, wat Vermeulen als een aperte leugen betitelde, daar de betogers naar zijn inschatting geen enkel kwaad in de zin hadden en ongewapend waren. Juist daarom begon hij zijn verslag zo: ‘De bevolking van Parijs is niet alleen bewonderenswaardig geweest. Zij toonde zich subliem. Tot die graad subliem dat ik in dit woord een klank zou willen leggen waarin de ontroering natrilt. Doch ik heb slechts één kreet: Leve Parijs!’[68] Gelukkig protesteerden zo ongeveer alle geledingen van het leger bij het kabinet tegen het afschuwelijke bloedbad waarbij tientallen doden te betreuren waren, en weigerden ze ingezet te worden bij nieuwe acties tegen de eigen bevolking, zodat de regering binnen enkele dagen gedwongen werd op te stappen. Voormalig president Gaston Doumergue kreeg het verzoek een nationaal kabinet te formeren om zo spoedig mogelijk de Augiasstal uit te mesten.

            Vermeulen vond het een hoopvol teken dat dezelfde maand nog een motie werd aangenomen die onder de gegeven omstandigheden (de Duitse begroting vertoonde een enorme verhoging voor de ‘defensie’) iedere vermindering van manschappen en bewapening gevaarlijk en ondoenlijk verklaarde. Ook stemde hij volmondig in met de aanpassing van oude Frans-Engelse handelsverdragen om een reëler balans tussen de export van beide landen te scheppen. Veel waardering had hij voor de geste van de verenigde oud-strijders – met hun aantal van zes miljoen een geduchte machtsfactor in het land – die eigener beweging aanboden de oorlogspensioenen te verlagen om het land uit de financiële problemen te helpen, in ruil voor bestraffing van de corruptie rond de Stavisky-zaak en verbetering van een aantal staatsinstellingen. Zij wensten niets anders dan dat hun ontberingen tijdens de oorlog niet voor niets zouden zijn.

            Dat de nieuwe premier intussen voor een bijna onmogelijke opgave stond bij ‘de werkelijkheid ener uitgeputte economie’ waarin talloze ondernemers op de rand van een failliet verkeerden, was Vermeulen geheel duidelijk.[69] Hij behandelde de verschillende factoren die daarbij een rol speelden. Dertig miljard francs, een kapitaal even groot als de helft van de totale rijksbegroting, rouleerde niet, maar zat bij kleine spaarders in een oude sok. Nog steeds werden grote sommen gelds verspild door de vriendjespolitiek op ministeries. Tegelijkertijd werd het Franse parlementaire systeem ondergraven door de merkwaardige traditie dat gedeputeerden die veelal jurist waren, rustig hun advocatenpraktijk mochten blijven uitoefenen, waarin ze op regionaal niveau dikwijls procedeerden tegen wetten die ze zelf landelijk hadden ingevoerd. Vermeulen had graag gezien dat Doumergue, die van verschillende kanten volmacht had gekregen, met straffe maatregelen tegen deze misstanden zou zijn opgetreden, maar hij moest constateren dat de oud-president na een energieke start al gauw in besluiteloosheid leek te verzanden. Gevaar vond hij schuilen in de spionage die op grote schaal bedreven werd door de aan Moskou gelieerde communisten en hij was er dan ook fel tegen, dat Trotzky tijdens zijn ballingschap in Frankrijk weinig in de weg werd gelegd bij de voortzetting van zijn propagandistische activiteiten.[70]

            Uit de dringende toon van Vermeulens artikelen spreekt de hoopvolle wens dat de situatie zich ten goede zou keren en dat het – zowel tussen de Europese staten onderling als binnen Frankrijk zelf – niet op bloedvergieten zou uitlopen. Maar hij wist hoe wankel het evenwicht was; niet voor niets gaf hij zijn stukken titels mee als ‘Het slappe koord’ en ‘Machteloze macht’. Met des te meer aandrang hield Vermeulen een pleidooi voor een vernieuwing van de kunst, waaruit de moderne mens enthousiasme zou kunnen putten. Tot zijn spijt trof hij weinig opwekkends aan in de bibliotheek die in Parijs werd opgericht voor de boeken die in Duitsland op de brandstapel waren beland, de zogeheten Exil-literatuur. Ook vond hij het heilige vuur ontbreken in Persephone, het gezamenlijk product van Gide, Stravinsky en de Duitse choreograaf Kurt Jooss: ‘André Gide rijmde de klassieke geschiedenis van Persephone’s tocht naar de schimmenwereld in banale en kreupele verzen, welker enige originaliteit bestond in een ongegeneerde dooreenhaspeling der namen van Griekse en Latijnse goden. Igor Stravinsky componeerde de muziek in een soort van strenge kerkstijl, ontvleesd tot een geraamte, en ondanks de vermagering lauw als wasem. Kurt Jooss, een vluchteling, beroemd om zijn Groene Tafel, stileerde een harde, droge mise-en-scène en met hun drieën distilleerden deze modernelingen een zeurige dommel, waarin men krachteloos wegzonk als de bewoners van Pluto’s en Proserpina’s onderaardse rijk.’[71]

            In het voorjaar van 1934 echter viel in de Franse hoofdstad een duidelijke mentaliteitsverandering te constateren, die Vermeulen met instemming begroette; het was het rustgevende optreden van Doumergue waardoor de mensen weer vertrouwen in de toekomst leken te hebben. Ook kwam er een opvallende verandering in de houding ten opzichte van alles wat een uniform droeg. Sinds jaar en dag was men gewoon politiemensen en gardisten op straat met dédain te behandelen; nu opende Parijs onder de indruk van de rol van het leger bij de val van het vorige kabinet ‘de poorten en straten voor de tanks, de geblindeerde auto’s, de mitrailleuses en de koloniale troepen, die konden defileren zonder dat de weerbare burgers nors naar hen omkeken. Het was in deze lente dat men begon de Vlam op het graf van de Onbekende elke avond te hernieuwen met muziek’. De stad herleefde en vierde de lente op uitbundige wijze. Alles wat eerder vertoond was op het gebied van verlichting viel in de schaduw ‘bij de symfonieën van wit en zwart welke de elektriciens componeren rondom monumenten, fonteinen, kerken, bruggen en standbeelden. Overal worden comités gevormd voor het aanrichten van mondaine, artistieke, sportieve, aristocratische en populaire feesten, batailles de fleurs, geïmproviseerde tentoonstellingen, mode-shows, militaire parades, taptoes met fakkels, toernooien op het water, in de lucht en in de stadions’.[72]

            Terwijl Parijs zich vrolijk in uitbundige feesttooi hulde en de revolutiesfeer er verdwenen leek, werd in andere steden bijna dagelijks bloedig gevochten tijdens manifestaties tegen de overheid, hetgeen Vermeulen een zorgelijke ontwikkeling vond: ‘Berichten van dezelfde aard kwamen dertien jaar geleden bijna dagelijks uit Italië en drie jaar her wekelijks uit Duitsland, alvorens Mussolini en Hitler daar hun joyeuse entrée deden. Wanneer Jupiter een democratie verderven wil, maakt hij haar eerst vechtlustig en onuitstaanbaar. Ondertussen schoeien de hele en halve mondaines zich met parelend kikvorsen-leer. En nooit werd op de spreekwoordelijke vulkaan lichtvoetiger gedanst.’[73]

 
 

EROP OF ERONDER (1934-1936)

De naderende oorlog werd het belangrijkste thema. Dat blijkt niet alleen uit de talloze artikelen over de actuele situatie in Europa, maar ook uit de historische onderwerpen die hij regelmatig behandelde. In de hoop de ogen van de mensen te openen voor opvallende parallellen in de geschiedenis gaf hij uitgebreide analyses van de ontwikkelingen die tot de Eerste Wereldoorlog hadden geleid. Veel artikelen zijn gewijd aan strategische vraagstukken. Vermeulen deelde de angst en bezorgdheid van de Fransen voor de verdubbeling van de Duitse luchtvloot en hij waarschuwde tegen de gevolgen van een onverhoedse aanval met de steeds sneller wordende bombardementsvliegtuigen, die door het luchtafweergeschut en de jagers van toen niet te onderscheppen waren en ongehinderd hun gasbommen op Parijs zouden kunnen afwerpen. Van nieuw wapentuig voor het Franse leger, zoals de moderne pantserwagens voorzien van radio aan boord (‘Hannibals olifanten geëvolueerd tot draadloos richtbare, stalen frontbrekers’[74]) berekende Vermeulen de mogelijke waarde voor de verdediging van het land. Ook maakte hij melding van de experimenten met andere brandstoffen dan benzine, die voortkwamen uit Frankrijks dringende wens minder van olie afhankelijk te zijn.

            Vele malen onderzocht Hugo Reynst Hitlers psychologische structuur, in het bijzonder het grote element wrok erin. Hij vroeg zich af wat de dictator van plan was en hoe hij het beste benaderd zou kunnen worden door de omringende staten. Vooral de maatregelen van de Nazi’s om de bevolking mentaal te preparen op het spoedig uitbreken van een oorlog, zoals de verspreiding van gasmaskers die ostentatief waren uitgestald in de etalages van alle apotheken, vervulden hem met zorg. Bij zijn afweging van stappen en misstappen in de Franse diplomatie hield Vermeulen zich bezig met de implicaties van het strategisch verdrag dat Frankrijk met de Sovjet-Unie voorbereidde; aangezien het verre Rusland bij een aanval op Frankrijk onmogelijk hulp zou kunnen bieden, verwachtte hij weinig profijt van een dergelijke alliantie, terwijl andere landen erdoor in het harnas werden gedreven. Ook overdacht hij de gevolgen van de concessies die de Franse regering aan Italië deed door verscheidene gebieden in Noord-Afrika af te staan. Hij voorzag dat de landhonger van de Duce, die bleek uit het drukken van postzegels en landkaarten waarop Corsica onmiskenbaar als Italiaans territorium aangegeven stond, zou worden aangewakkerd.

            Intussen werd de binnenlandse situatie gedurig slechter. Het zakenkabinet van Doumergue, dat evenals vorige regeringen geen wezenlijke verbetering in de Franse economie had kunnen bewerkstelligen, had na het verlopen van de termijn die door leger en oud-strijders gesteld was, plaats gemaakt voor nieuwe ministersploegen, die op hun beurt de zaken probeerden te redden. Tevergeefs, de productie daalde verder en de werkeloosheid steeg, hetgeen zichtbaar werd in het groeiend aantal bedelaars op straat. Volgens Vermeulen had het op de weg gelegen van de regering, onder die omstandigheden, de fabriek van André Citroën van een dreigende ondergang te redden. Toen het faillissement van het bedrijf werd uitgesproken, liet dat een voor iedereen waarneembaar litteken in de Ville Lumière na, omdat de Eiffeltoren voortaan ‘s nachts verstoken bleef van de sprookjesachtige verlichting met bewegende patronen die door de autofabrikant was bekostigd. Met bezorgdheid constateerde Vermeulen op de Internationale Automobiel Tentoonstelling dat de Franse productie sterk te lijden had van de hoge fiscale aanslagen en duidelijk achteruitging, terwijl in Duitsland de auto-industrie floreerde sinds Hitlers afschaffing van belasting op nieuwe auto’s. Ondanks het permanent grote aanbod van vermakelijkheden bespeurde Hugo Reynst overal depressieve gevoelens; zelfs de Wielerzesdaagse verliep saai en lamlendig. Niet voor niets gaf hij artikelen over stad en land titels mee als ‘Uit de diepte’ en ‘Zonder Zon’.[75]

            Vermeulens financiën waren in die tijd minder krap, omdat de betaling van het Soerabaiasch Handelsblad verbeterde en de schulden langzamerhand waren ingelopen. In het vroege voorjaar van 1935 is het gezin verhuisd van de rue de Voisins naar een grotere woning aan de rue de l’Etang, aan de andere kant van het dorp. Het nieuwe, riante onderkomen dat ‘La Bicoque’ (‘nestje’ of ‘hutje’) heette, was door zijn vele kamers zeer geschikt. Bijzondere charme ging uit van de tuin met reusachtige kastanje- en lindebomen die in een kring rondom het huis stonden. Ofschoon er in de woning plaats was voor een goede werkplek voor Vermeulen, heeft hij het houten huisje in Bas-Prunay toch nog enige tijd aangehouden.

            Toen hij op een avond in april daar naar toe fietste, botste hij bij een afdaling in het heuvelachtige traject in volle vaart op een tegemoetkomende voetganger. Omdat deze dronken over de weg zwalkte, had hij hem niet kunnen ontwijken. Vermeulen viel en kwam met zijn rechterslaap zo ongelukkig op de trottoirrand terecht, dat hij het bewustzijn verloor. Toen hij bijkwam, was hij alleen. Zijn handen bloedden. Hij strompelde met de kapotte fiets naar zijn huisje, waar hij zich onder de pomp afwaste en met een paar zakdoeken verbond. Met veel inspanning trachtte hij nog wat voor te bereiden aan een artikel en ging toen naar huis. Anny schrok hevig toen zij de volgende dag bij het wakker worden merkte dat het hoofdkussen van Matthijs vol bloed zat. Later hoorde Vermeulen wie degene was, die hij aangereden had: een horlogemaker uit het naburige Bougival, die zijn verhaal van het gebeurde in het dorp rondbazuinde en hem bij de gendarmerie aansprakelijk stelde voor het ongeluk. Opgeroepen om zijn kant van de zaak te vertellen, kon Vermeulen de beambte gemakkelijk van zijn onschuld overtuigen. Intussen had hij veel pijn, waar hij nog lang last van hield. Desondanks bleef hij doorwerken, want hij had geen verzekering of betaald ziekteverlof.

            Het ongemak is niet te merken aan zijn artikelen uit die tijd waarvan sommige een uitgesproken lichte en optimistische toon hebben. Bijzonder sprankelend is het stuk ‘Vleugels voor ieder’, waarin hij de sensatie beschrijft van de laatste Luchtvaartshow. Verstopt in een hoekje staat daar het toestel dat spoedig de harten van de jonge Fransen verovert: de ‘Pou-du-ciel’ (‘luis van het luchtruim’), een eenpersoons vliegtuigje van hout en linnen, dat op aanwijzingen van de uitvinder door iedere doe-het-zelver in elkaar te knutselen is. Vermeulen schildert het vehikel: ‘Verbeeld u: de bak van een kinderwagen op twee wieltjes van een paar decimeter, bijna de grond schurend. Van voren de twee-cilinder motor ener motorfiets met een propellor, grof gesneden uit essenhout. Boven het voorstuk van de ruw getimmerde kist een vleugel, lichtelijk omhoogzwellend in de punten als het dak ener Chinese pagode. Onder deze paraplu, die scharniert op een ijzeren stang en die met een vlechtwerk van kabels aan de kinderwagen is gehaakt, hurkt de piloot. Achter de piloot, op de hoogte zijner schouders, welft een tweede vleugel, een tikje korter en smaller dan de eerste, en onbeweeglijk vastgespijkerd op de kist. Aan de achterkant een roer, groot als het roer van een tjotter, op een derde wieltje. In het schuitje niets dan een enkel kraantje, een enkele zwengel om te sturen en drie wijzerplaten om de hoogte te meten, de snelheid en de omwentelingen van de motor.’ Door zijn eenvoudige constructie is het toestel voor iedereen te besturen: ‘Een duwtje van de steel naar links of naar rechts en de machine voert onder alle omstandigheden een correcte draai uit. Pas opgestegen kan een debutant een bocht nemen zonder zich een acrobaat te voelen. Alles gaat vanzelf, en vlotter, veiliger dan in een auto. De Pou stuurt zichzelf, spaart de zenuwen van zijn roerganger, schenkt hem voor een prikje de sensatie waarnaar hij altijd gereikhalsd heeft: hij vliegt.’[76]

            Binnen de kortste keren was het eigenhandig bouwen van een Pou-du-ciel de grote rage onder de Franse jeugd, waarin ook de jongens van Vermeulen, die dweepten met de vliegerij, werden meegesleept. Zij troonden hun vader mee naar een vliegveldje bij St.-Cyr, het Mekka van de beweging. Aangestoken door hun enthousiasme schreef Hugo Reynst andermaal een ‘bevlogen’ artikel over de aantrekkingskracht die het vliegen op hen uitoefende. Hij kon zich de sensatie levendig voorstellen die men in het simpele toestel onderging: ‘Dat de aarde onder je wegzinkt. Dat men met een zacht duwtje op de steel de horizon en het ganse decor waarin men woont en als tweevoeter gevangen zit, voorbij ziet draaien gelijk een mallemolen. Dat de Pou de gewaarwording geeft van een nimmer gekende, altijd verlangde losheid, de sensatie van eigenmachtig boven afgronden te wieken en te zweven, de bedwelmende poëzie der onbegrensde ruimten, het herwonnen paradijs.’[77] Nooit eerder had de redactie van het Soerabaiasch Handelsblad commentaar geleverd op de bijdragen van de Parijse correspondent, maar nu vond zij het nodig er in een bijschrift op te wijzen dat het meeslepend betoog geheel voor verantwoording kwam van de medewerker en dat men geen verwijten zou aanvaarden ‘van ouders wier spruiten eventueel de hals zullen breken’. Dat dit gevaar niet denkbeeldig was, bleek toen er dodelijke ongevallen met de Pou te betreuren waren.

            In de zomer van 1935 pakten zich nieuwe donderwolken samen aan de horizon van de internationale politiek. Frankrijk reageerde onthutst op het maritieme akkoord dat Engeland in juni ‘35 met Duitsland sloot. Het stond de Duitsers toe een oorlogsvloot op te bouwen met een grootte van 35% van de Engelse marine, wat neerkwam op een gelijke sterkte als die van de Franse zeemacht. De datum van ondertekening wierp een speciaal licht op de intenties waarmee dit verdrag gesloten werd: 18 juni, memorabele datum van de nederlaag der Fransen tegen de verenigde legers van Engelsen en Pruisen bij Waterloo. Vermeulen zag dit akkoord als de zoveelste Engelse manoeuvre om Frankrijk te vernederen. ‘Reeds vijftien jaren arbeidt Engeland met al zijn verborgen krachten aan de herrijzenis van het funeste, zichzelf verscheurende Europa van eertijds, dat men begraven hoopte onder de zerk van de onbekende soldaat, die in elke hoofdstad zijn wacht betrok onder kransen en bloemen. Langs de Alpen werd Italië, langs de Rijn werd Duitsland aangericht als tegenwicht dat in de beruchte machtsbalans ontbrak na het Verdrag van Versailles. Verdeel en heers. Zal men ooit alle machinaties kennen waarmee het verderfelijke doel werd nagestreefd?’[78] Bij zijn aantijging aan het adres van Albion baseerde Vermeulen zich tevens op historische feiten. Zijn zienswijze is interessant, maar het zou binnen het bestek van dit boek te ver voeren om de argumentatie uiteen te zetten van zijn anti-Britse houding die gevoed werd door verbittering over de wijze waarop Engeland na de oorlog van ‘14-’18 Frankrijk tot op de laatste cent heeft laten dokken.

            In de tweede helft van het jaar worden Vermeulens stukken gedomineerd door zijn ongerustheid over de groeiende tweespalt in de Franse politiek, een tweespalt die de samenleving geheel dreigde te verscheuren. Met de parlementsverkiezingen van mei 1936 in het verschiet sloten socialisten van verschillende signatuur en communisten zich onder Léon Blum en het motto ‘Echec au Fascisme’ aaneen tot het Front Populaire, waartegen rechts het Front National vormde. Regelmatig kwam het in het land tot botsingen tussen aanhangers van beide kanten, waarbij het gewelddadig aan toe ging. Vermeulen had weinig sympathie voor de linksen die enerzijds iedereen die het niet met hen eens was, voor fascist uitmaakten en zich anderzijds tegen iedere vorm van militarisme verklaarden. Vooral beducht was hij voor de provocaties van links-extremistische knokploegen, die de tegenpartij uitlokten tot oefeningen in weerbaarheid. De zittende regering gaf overigens alle aanleiding tot kritiek door de verlammende bureaucratie met zijn vele paperassen en het gesjoemel met subsidies en baantjes. Intussen kwamen nieuwe schandalen aan het licht van grootscheepse fraude met pensioenen en belastingen, allemaal zaken die de burger verhinderden om vertrouwen te stellen in overheid en banken.

            Door de polarisatie raakte het klimaat in het land langzamerhand totaal verziekt en was het voor niemand meer mogelijk een verstandige middenweg te bewandelen. Wanneer een linkse dan wel rechtse intellectueel op gerede gronden een plan ondersteunde van het andere kamp, werd hij door zijn partijgenoten als afvallige verstoten. Toen Italië in oktober 1935 het keizerrijk Abessinië binnenviel en annexeerde, manifesteerde zich de verdeeldheid tussen en zelfs binnen alle geledingen van de maatschappij. Hoe Vermeulen in kwesties als deze de reacties van de Franse samenleving peilde is te lezen in zijn artikel ‘Op zoek naar een publieke opinie’: ‘Sinds weken heb ik haar achterjaagd die openbare mening, die reeks van trillingen welke een toon maken. Ik heb haar niet gezocht op de ministeries, bij de ingelichte sferen, waar men u precies vertelt wat iedereen weet of wat in een communiqué klaarligt. Ik heb haar gezocht in de bioscopen; aan de halten en op de achterbalkons der autobussen; langs de zinken toonbanken der tappers; in de pauzes der schouwburgen; op de terrassen der café’s waar de eerste vuurpotten zijn aangestookt; op straat waar het ruikt naar gepofte kastanjes; en in de kranten natuurlijk, in kranten van allerlei kleur, oplage, omvang en inhoud. Dat is omslachtig; maar het blijkt tienmaal gecompliceerder dan het oppervlakkig lijkt. Want er zijn bioscopen en bioscopen. De bioscoop der voorsteden, der buitenboulevards reageert op hetzelfde programma geheel anders dan de bioscoop der grands boulevards, deftige buurten. Het publiek met een trui aan en een pet op, gilt, fluit, joelt en jouwt schimpscheuten naar de krampachtige, massieve gelaatsmimiek van Mussolini, naar zijn bolwangige zoontjes, naar alles wat Italiaans is en fascistisch. Het publiek daarentegen der deukhoedjes en slappe boorden is veel minder eenparig in zijn sympathieën. Wanneer de ene helft begint te klappen voor een parade of tirade van de Romeinse dictator, begint de andere helft regelmatig te sissen en te razen. In de gegoede wijken echter, bij de gezeten burgers, bij de middenstander, en meer nog bij de kapitalistische heren en dames is de stemming totaal gewijzigd. Deze kringen geven bijna even onbewimpeld uiting aan hun voorliefde als hun antipoden uit de volksklasse. Maar zij ovationeren Mussolini en de kopstukken der Afrikaanse expeditie. Zij grinniken en gnuiven bij de krijgsdansen en de défilé’s der Ethiopiërs.’

            In schouwburg en music-hall waren de verschillen van mening dikwijls binnen één en hetzelfde gebouw te constateren: ‘Naar gelang men de engelenbak nadert zal men een sterker anti-Italiaanse stemming gewaar worden. De promenoirs zijn tegen de “macaroni”, het balcon is gemengd, parket, parterre en fauteuils zijn welgezind. Men hoort dat aan de manier waarop de mensen echoën op de toespelingen der liedjeszangers.’ In de forensentreinen naar de buitenwijken merkte men eenzelfde tegenstelling tussen de tweede en eerste klas. Ook in de horeca constateerde Vermeulen: ‘De meningen der café’s en restaurants variëren volgens de consumptieprijzen der stamgasten. Het glas koffie van vijf cents zal honderd tegen één de dictator haten en verwensen. Het glas koffie van twee dubbeltjes zal hem vergoelijken of verdedigen. Deze onderscheidingen blijven natuurlijk fragmentarisch. Gelijk alles wat grosso modo geconstateerd wordt laten zij uitzonderingen toe. Maar niemand, dunkt mij, die elke dag de Parijse lucht opsnuift, en die genoeg Frans kent om met de inboorling een praatje te houden zonder zijn herkomst te verraden, zal mij de juistheid dezer globale karakteristiek betwisten.’[79]

            Van geheel andere aard was de opwinding die Parijs in december 1935 beroerde. Wekelijks gaven de Franse posterijen demonstraties van het nieuwste medium: de televisie. Onder de bevolking werden gratis kaarten uitgedeeld voor het bekijken van de proefuitzendingen op diverse locaties in de stad. Lange rijen nieuwsgierigen stonden op straat te wachten, waarbij Vermeulen zich aansloot om zich van het laatste snufje der techniek op de hoogte stellen. Het verslag van zijn bevindingen: ‘Met een kinderlijk ongeduld wacht men dat de lampen uitgaan en vol verwachting klopt ons hart. De seance begint. Uit het donker doemen twee lichtschermen als kleine vensters. Zij hebben een formaat van 18 bij 24 centimeter en fosforiseren meer dan zij glanzen. Hun schijnsel is gelig, troebel, miezerig, melancholisch als matglas. Men onderscheidt er letters welke men slechts met moeite ontcijfert. De stem van een speaker kondigt een vedette aan van cabaret en music-hall die zal zingen. Door de twee vensters gluurt een kopje met scheiding in het haar en zingt een liedje. Over het mimerend gelaat, glijden horizontale, grauwe strepen. Zoals het gladde water rimpelt waarover een zefier wuift. Een deskundige legt me uit dat het parasieten zijn. Er bestaat nog geen knop om die parasieten te supprimeren. Soms werken ze als lachspiegels van een kermis. Ziedaar een kort-gerokt danseresje welks benen zij bij wijlen onmatig aanlengen, terwijl zij de romp indeuken en de schedel bollen als een waterhoofd. Men moet gespannen toeturen en op de voorste rang zitten want het figuurtje is niet groter dan een vinger.’ Hierna volgt een scène uit een populair blijspel: ‘Minuscule dwergjes dialogeren terwijl het klankapparaat praat met stemmen van reuzen en reuzinnen.’ Vermeulen vraagt de deskundige of het beeldscherm niet te vergroten is, maar het antwoord luidt: ‘Voorlopig niet. Bij verwijding van het formaat zouden de toestellen onmiddellijk uitgroeien tot dimensies die hinderlijk worden.’

            Dat de techniek van het nieuwe medium nog in de kinderschoenen stond, bleek tijdens een bezoek aan een studio. Aangezien er voor de opnames veel licht nodig was, vonden ze plaats onder moordende omstandigheden: ‘Zoeklichten, lantaarns als vuurtorens, grote en kleine lichtbakens gapen langs de wanden, op de vloer, vanaf het plafond, in de hoeken, en aan een luchtbrug. Tezamen ontwikkelen zij een gloed van meer dan honderdduizend kaarsen. Zij veroorzaken tevens een hitte die schommelt tussen 50 en 60 graden celsius. Een temperatuur waarop men zich brandt. Die alle muziekinstrumenten ontstemt. In deze hel moeten de acteurs zingen, dansen, voordragen.’ Er kwamen ook andere problemen uit voort: ‘Het licht verzengt niet alleen, het verblindt. Het verbleekt en vermoordt de kleuren, de nuances. In die filter van vuur wordt alles wit op zwart, zwart op wit, of transparant als een zeef. Om op het projectiedoek niet over te komen als een kippeëi, als een volle maan, moet de acteur zich toetakelen als een carnavalsmasker, en willen de lippen zichtbaar blijven dan moeten zij pikzwart geschminkt worden. De rest navenant.’ Vermeulens conclusie was: ‘Het zal dus morgen nog niet gebeuren dat een alziende lens door de muren en daken onzer woningen spiedt, dat wij geradioviseerd worden op straat of dat gij in Indië het pandemonium aanschouwt der Parijse beurs. De bioscoop dreigt tot nu toe niet het minste gevaar van overgeplant te worden naar de huiskamer.’[80]

            1936 zou, zo voorvoelde Vermeulen, cruciaal worden voor het lot van Europa. Naar aanleiding van de herdenking van het tachtigste sterfjaar van Heine herinnerde hij, onder de titel ‘De stem uit het graf’, aan de gevoelens van haat die de dichter rond 1830 onder zijn landgenoten ervaren had jegens alles wat Frans, joods of Slavisch was. Heine voorspelde dat de Duitse samenleving zich ooit van hen zou willen ontdoen. Had de wereld acht geslagen op deze profetische waarschuwing, dan was het onheil misschien af te wenden geweest. Nu, na jaren van toebereidselen voor de eliminatie van de joden in Duitsland en de voorbereiding van een aanval op Frankrijk en de staten in Oost-Europa, zag Vermeulen geen kans meer tot redding: ‘Het is te laat. Voor de zoveelste keer diende een orakel tot niets, letterlijk tot niets. Als orakels tot iets gediend hadden, humane beginselen zouden nog heersen in Duitsland en vrede ware nog mogelijk voor de mensen van goeden wille.’[81]

            Verontrusting en moedeloosheid spreken ook uit Vermeulens artikel over een in ere herstelde traditie: de rituele optocht op de donderdag van Mi-Carême (Halfvasten) door de straten van Parijs met een Paas-os, die omstuwd door een mensenmenigte en vergezeld van praalwagens en fanfarekorpsen naar het slachthuis wordt gevoerd. Dit beeld van mensen die stonden te juichen rond een ter dood veroordeelde, riep bij Vermeulen reminiscenties op aan historische gebeurtenissen: ‘Zo stapte Julius Caesar uit zijn zegewagen om vermoord te worden door de senatoren. En Nero die Rome amuseerde tot men genoeg van hem had en hij gekeeld werd door een slaaf. Robespierre, die het Opperwezen in processie door Parijs geleidde onder acclamaties, alvorens zelf het schavot te bestijgen onder gejubel. Allemaal Paas-ossen.’ En hij voegt eraan toe: ‘Waar zijn de Paas-ossen van straks?’[82]

            De vijftiende Kamer van de Derde Franse Republiek werd door Hugo Reynst ten grave gedragen met een artikel, waarin hij alle blunders die de radicalen (naar huidige begrippen een soort links-liberalen) begingen, zoals het wegstemmen van het voorstel tot introductie van het vrouwenkiesrecht, nog eens op een rijtje zette. Het Front Populaire won de verkiezingen van mei 1936 dankzij een verdubbeling van het aantal stemmen op de communisten; het was nu aan Blum om het eerste kabinet samen te stellen, waarin ook ‘bolsjewieken’ zitting zouden krijgen. Vermeulen had er geen enkel vertrouwen in. Hij beschimpte de communisten, die met hun overmoedige, onvoorzichtige uitspraken een kapitaalvlucht naar het buitenland uitlokten. Ook toonde hij zich uiterst sceptisch ten opzichte van Léon Blum, die in het verleden weinig consistente standpunten had vertolkt.

Voor zijn lezerspubliek evalueerde Vermeulen na de afsluiting van de Wereldtentoonstelling wat uiteindelijk als het belangrijkste van deze Expositie in de herinnering zou blijven voortleven. Voor hem was het de tentoonstelling (het eerste complete overzicht) die gewijd was aan Vincent van Gogh: ‘Zodra men even in het verleden teruggaat, zoekend naar een indruk, zullen niet de geisers vuurwerk van de Eiffeltoren uit de hemel dalen, noch de lichtfonteinen zullen gloed sproeien over een fosforiserende Seine, men zal geen muziek horen, men zal geen lijnen zien ener architectuur, maar op de donkere achtergrond van het denken zal oprijzen, zacht stralend als droombeeld uit de andere wereld, majestueus en innig, een Zonnebloem. En terwijl een tweede visioen over het zwarte scherm glijdt, de diep-blauwe Sterrennacht, en een derde, de Tuin van de Dichter, zal men mijmerend zeggen: juist, dat was het jaar van Vincent van Gogh, in het Musée d’Art Moderne.’ In het artikel, dat Vermeulen ‘De triomf van Vincent’ noemde, zitten onmiskenbaar autobiografische trekken, waar hij de brieven citeert van de schilder aan zijn broer Theo met daarin de herhaalde passus ‘Als wij ‘t beleg maar doorstaan’. Zoals Vermeulen zich kon identificeren met Beethoven, zo herkende hij zijn eigen lot in de strijd die Van Gogh leverde bij het veroveren van zijn artistieke identiteit: ‘Te kunnen duren te midden van zorg, ontbering en eenzaamheid, tot hij zijn geestelijke wezen, zijn tweede ik, dat hem bezielend achtervolgde, zou hebben gemodelleerd en voltooid in kleur, was lange tijd zijn enige wens.’ Ook Van Gogh zag hij voortgedreven door ‘geluidloze, brandende stemmen waarmee de kunstenaar in de seconden der inspiratie familiaar is’.[83]

            Op 28 december 1937 stierf Ravel, ‘De laatste der groten’, zoals Vermeulen hem noemde in de bewogen necrologie die hij de volgende dag schreef: ‘Maurice Ravel was de Muziek zonder meer, de ontroerende, betoverende almachtige Stem, welke de mens, tevens scheppende en geschapen natuur, in zijn diepe, uitverkoren ogenblikken toevoegt aan het suizen van de wind, aan het ritselen van het lover, aan de eeuwige stemmen van de stilte en van de storm. Hij is een der weinigen geweest, die de eindeloze melodie, aangeheven in de nacht der tijden, men weet niet waarom, noch hoe, noch waartoe, heeft voortgezet. Niet talrijk onder de mensen zijn zij van wie men met zekerheid kan zeggen dat dezelfde innerlijke gloed hen bezielde welke de nachtgaal drijft tot het intoneren zijner hymnen. Een dier uitgelezen, kostbare instrumenten was Ravel. Diepe, ongekende, strelende, troostende, verrukkende tonen stroomden naar hem toe en hij gaf hun gestalten, vorm en accenten in klanken van vuur, in klanken zacht als bloemengeur, welke men telkens weer waande te dromen hoe dikwijls men ze ook gehoord had.’ Voor Vermeulen was Ravel onvervangbaar en betekende zijn dood de onherroepelijke afsluiting van een tijdperk, even definitief als toen Mahler in 1911 stierf. Na de dood van Debussy waren Fauré en Ravel er om de fakkel over te nemen, nú zag Vermeulen niemand van vergelijkbare grootheid: ‘Hoevelen kan men opsommen onder de levenden, die hun medemensen dergelijke onschatbare, onwaardeerbare gunsten bewijzen? Geen twee, die men als afgezonden mag beschouwen uit een der kringen van een paradijs. Denk slechts aan de Boléro, welke dateert van 1930 en die wortelt in ontelbare eeuwen. Voor componisten is de Boléro een simpele machine. Bijna te simpel. Een muziek in de trant van het ei van Columbus. Doch om het stuk te maken, dat na de dood van Debussy het opperste potentieel van straling, van vitaliserende energie, van opwekking zou bezitten, was er niemand dan Ravel.’ In zijn artikel herdacht Vermeulen tevens Widor, Pierné en Roussel, die toevallig in datzelfde jaar gestorven waren, en met Ravel behoorden ‘tot de uiterst bloeirijke, zeer veelkleurige generatie, die na de dood van Wagner en Liszt Frankrijk geplaatst heeft aan de spits der muzikale beschaving’.[84]

            Dit stuk verscheen te midden van artikelen waarin Vermeulen de balans opmaakte van anderhalf jaar bewind door het Front Populaire. De regering onder aanvoering van Blum had geen einde kunnen maken aan de chaos in het land; integendeel, het aantal stakingen nam zelfs nog toe. Steeds vaker grepen de arbeiders, ideologisch gesteund door het regime, naar dit machtsmiddel. Vermeulen liet er geen twijfel over bestaan dat hij de acties die de economie bijna lam legden, hoogst ongezond vond; hij vreesde de totale anarchie. De dwaasheid ging zo ver, dat er vanwege een staking aanvankelijk geen doodskist voor Ravel geleverd kon worden. Pas na ingrijpen van hogerhand kreeg het stoffelijk overschot een passend omhulsel. Toen kort nadien de lijkvervoerders het werk neerlegden en sommige begraafplaatsen uit solidariteit met hun collegae de poorten sloten, moesten mensen die in arren moede met eigen vervoer een gestorven familielid kwamen brengen, rechtsomkeer maken.

            De tweespalt in het land die zich eerder had geopenbaard in uitingen vóór en tegen Italië, was nu vooral merkbaar in een scheiding tussen aanhangers van Duitsland en van Rusland. In dat gistende klimaat waarin – naar Vermeulen vreesde – extreme ideeën goed gedijden, was de verschijning van een nieuw boek van Céline, Bagatelles pour un Massacre, met zijn onverhuld anti-semitisme beangstigend: ‘In ‘t land van het hakenkruis werden nooit hatelijker, kwetsender, barbaarser ophitsingen uitgekraamd tegen alle Israëlieten der twee halfronden dan in deze Bagatelles die ook als preludium en begeleiding zouden kunnen dienen van een monsterachtig pogrom. Alsof er nog niet waanzin, wrok en verwarring genoeg broeide op onze planeet! Weet men ooit wat er in de oren van het gepeupel blijft hangen dat men een dergelijk geschrift voorlegt? Dit mankeerde nog maar aan de mentale structuur van Frankrijk: deze verschrikkelijke kiemen voor een collectieve waanzin, uitgestrooid door een verhitte dweper.’[85]

            Op 13 maart 1938, toen Hitlers troepen Oostenrijk binnentrokken, verkeerde Frankrijk (volgens Vermeulen allerminst toevallig) in de zoveelste regeringscrisis. Het bestuursvacuüm werd opgelost door de ministers opnieuw van stoel te laten wisselen en Blum premier te maken met financiën in zijn portefeuille. Daar had hij weinig verstand van; hij vulde de lege staatskas met vijf miljard ijlings bijgedrukte francs, hetgeen al spoedig een derde devaluatie van de munt tot gevolg had. Van verschillende kanten klonk de roep tot het oprichten van een Nationale Unie om de problemen het hoofd te bieden.

            Over één ding werd men het in Frankrijk langzamerhand eens. Naarmate er meer bekend werd van de gruweldaden die de fascisten in Spanje bedreven, sloeg de publieke opinie om ten gunste van de Republikeinen van het Frente Popular. Aan die omslag werd in belangrijke mate bijgedragen door boeken als L’Espoir van André Malraux, organisator en commandant van het internationale luchteskader ‘España’, en Les grands Cimetières sous la Lune van Georges Bernanos, die melding maakten van de massa-executies van onschuldige burgers door troepen van Franco-aanhangers. Beide auteurs werden door Hugo Reynst als betrouwbare getuigen opgevoerd om het Indische publiek inzicht te verschaffen in de verbeten strijd die in Europa werd gevoerd voor de Gerechtigheid. Na het Duitse bombardement op het weerloze Guernica, de vernietigende aanval op Teruel en de anderhalf miljoen doden die de slachtingen inmiddels hadden gekost kon Vermeulen berichten: ‘Er zijn minder en minder Fransen die de ontelbare vrachtauto’s en goederentreinen betreuren, welke, geplombeerd, geëscorteerd door Franse douane-beambten in uniform, als internationaal transito vanuit Le Havre, Duinkerken, Bordeaux, met tienduizenden tonnen “hoefnagels”, “landbouwwerktuigen”, “verduurzaamde levensmiddelen”, of wat anders, de wegen van Frankrijk doorkruisen, rollend naar het deel der Pyrenese grens waar Barcelona en Madrid contact hebben met het land der vrijheid. Wanneer de meeste Fransen nog iets betreuren in die transporten van huizenhoge kisten (waarvoor men de bomen langs de weg moest snoeien, waarvoor men elektrische geleidingen heeft moeten verleggen) dan zou het eer zijn dat zij niet frank en vrij kunnen geschieden, dat een mogendheid als Frankrijk clandestien moet optreden voor een zaak die dagelijks wint aan rechtvaardigheid, dat het gedwongen is zijn sympathie en hulp te camoufleren, te verdonkeremanen... terwijl men uit Rome ongegeneerd bombastische gelukwensen telegrafeert naar Burgos, terwijl men in Rome solidariteitsfeesten viert met generaal Franco.’[86]

            Door de Spaanse burgeroorlog en de dreiging van een wereldbrand was Vermeulens lied La Veille van een beangstigende actualiteit, toen het in mei van dat jaar werd uitgevoerd tijdens twee concerten in Den Haag en Amsterdam, georganiseerd door Maneto (Manifestatie Nederlandse Toonkunst). Deze stichting is in 1937 op initiatief van Jan van Gilse opgericht om ‘de Nederlandse muziek te dienen, waarbij het zwaartepunt gelegd zou worden op de werken die ten onrechte verwaarloosd worden’.[87] Berthe Seroen zong het lied na bijna twintig jaar wederom met grote overtuiging. Toen ze vernam dat het werk door de componist was georkestreerd, wilde zij het ook graag met orkest uitvoeren, een plan waar het helaas niet van gekomen is.

            Na de annexatie van Oostenrijk zetten de Nazi’s hun zinnen op Tsjecho-Slowakije, waar drie miljoen Duitsers leefden in het door kolen- en ijzermijnen strategisch belangrijke noorden. Voor dit land waarmee Frankrijk zich in de zogeheten Kleine Entente had verbonden, was de dreiging spoedig zo groot, dat Parijs in mei al bijna tot een algehele mobilisatie besloot. Ook bij de kinderen van Vermeulen leefde de wens zich in te zetten: Roland, bijna 18 jaar en inmiddels groter dan zijn vader, was van plan zich dit jaar te laten naturaliseren om dienst te kunnen nemen in het landleger; Josquin wilde zich aanmelden voor de luchtmacht. Met de moed der wanhoop bleef Vermeulen schrijven over de toegenomen afschrikkingskracht van de sterk uitgebreide defensie. Niet voor niets gaf hij het artikel over de militaire parades van Quatorze Juillet, waarbij een enorme hoeveelheid nieuwe pantserwagens van tien en dertig ton het asfalt aan gruzelementen reed en een luchtvloot van honderden toestellen over Versailles scheerde, de titel mee: ‘De beste garantie’.[88]

            Gedurende de hele zomer hing de vrede aan een zijden draadje; de uren tikten langzaam voorbij. September werd de vierde maand dat ‘het grijnzende, grimmende spook van de dood’ elke morgen, middag en avond in de gedachten der mensen opdoemde: ‘Wij kunnen geen krant openvouwen waaruit het niet opstuift. Het doet niet de minste moeite om zich te vermommen. Wij ontmoeten het op de boulevards, in de badplaatsen, aan de radio, tussen de rijpende druiventrossen, overal. Alles verlamt het. Alles vergiftigt het met zijn weeë bijsmaak van bloed en verrotting.’ Vermeulen besefte hoe anders de situatie in 1914 was geweest. Toen wist het gros van de mensen nauwelijks wat hen boven het hoofd hing; nu daarentegen had men in de bioscopen de gruwelijke beelden te zien gekregen van de strijd in Spanje en China en leefden miljoenen Fransen, Engelsen, Italianen, Duitsers, Tsjechen, Polen, Russen – via de media op de hoogte van de verwikkelingen – in het besef ‘op elk moment van het etmaal als onnozele schapen en ossen naar een slachtplaats gedreven te kunnen worden, of uitgerookt als miserabel ongedierte, of geroosterd op een onnoemelijke brandstapel, of in flarden gereten en weggeblazen als stofjes door de orkaan der bommen. Wij, en onze ontelbare tijdgenoten, jong en oud, militaire en civiele, die misschien reeds genoteerd zijn op de debet-zijde van het boek des levens, wij zijn onkundig van niets. De meesters der aarde delibereren in het open daglicht over het zijn of het niet-zijn hunner onderhorigen. Wij weten dat vanaf de lente hun hand weifelt over het gebaar dat beslissen zal over het wel en wee van miljoenen, zoals de duim van een Caesar in het volle circus het lot regelde van een paar zwaardvechters. Vandaag zijn die gladiatoren legio. Zij weten reeds precies wat hun te wachten staat.’[89]

            Uit voorzorg werden in Frankrijk begin september in het geheim 240.000 manschappen gesommeerd naar hun divisies af te reizen. Onder de titel ‘Met stille trom’ berichtte Vermeulen over die mobilisatie. Voor de twaalfde september werd de uitzending van een belangrijke toespraak van Hitler aangekondigd. Vermeulen besloot niet thuis te gaan luisteren, maar in Parijs de stemming van het Franse volk te peilen. Onnavolgbaar geeft zijn verslag de atmosfeer weer: ‘Met alle oren gespitst hebben wij maandagavond aan de radio gehangen, wachtend op de machtige stem uit Nürnberg, waarvan men dagen te voren gezegd had dat zij ons de naaste en de verste toekomst zou voorspellen. Toen de kantoren, winkels en fabrieken sloten ging dan ook niemand naar huis. Overal schaarde men zich om een radio-post of om een simpele loud-speaker, die waren geïnstalleerd op alle café-terrassen, in de meeste kruideniersmagazijnen en langs de gevels van alle krantengebouwen. De avond was toverachtig zoel en in de dalende schemering ritselden nauwelijks de vergelende boombladeren. Door de lucht zweefde reeds het vermoeden van een volle maan, stil, stralend en vol raadselen, die onderweg was, komend van de antipoden.[90]

            De straten zagen zwart van de mensen, wier overgrote meerderheid geen Duits verstond. In elks binnenste echter was iets aangeroerd dat men de zenuw der samenhorigheid zou kunnen noemen, en wat hen te hoop dreef. Zo verzamelen zich de mussen en de spreeuwen in de naderende avond en veranderen de struiken in fonteinen van gekwetter. Zo hurken de dieren bijeen wanneer een onweer aandreigt of een bosbrand. Het was de tweede maal deze zomer, en ook de tweede maal na 1914, dat ik in het Franse volk de geest van de stam voelde ontwaken en dat ik alle individuele gewaarwordingen zag vervloeien en oplossen in een collectief instinct. Om een duistere maar doorslaande reden had men behoefte zich schouder aan schouder te weten.

            Te klokslag zeven schaterde eensklaps het glanzende C-groot-akkoord en galmden de statige, onwrikbare toonladders van het Voorspel der Meistersinger von Nürnberg. Gelukkig raakten wij vertrouwd met dit werk, anders zouden wij vanaf de eerste stonde verpletterd en getemd zijn geweest door zoveel lyrische praal en extatische zekerheid. Want het kan niet geloochend worden dat het muzikale en het decoratieve gedeelte der nazistische plechtigheden getuigt van een magistraal, spontaan, sterk begrip voor de enscenering van schoonheid en grootheid, in zonderlinge tegenstelling tot de artistieke nulliteit hunner oratorische manifestaties, die op geen stukken na vergeleken kunnen worden met beroemde namen uit het verleden, en welker stilistische, literaire onbeduidendheid (reeds hinderlijk in Mein Kampf) nimmer de toets kan doorstaan van zwart op wit gedrukt, gelezen en geanalyseerd te worden. Daarentegen moet erkend worden dat de nazistische Duitsers de enigen zijn onder alle volkeren (en de eersten na de Grieken en na de Middeleeuwen) die de hoge kunst van authentieke, souvereine meesters als Wagner en Anton Bruckner hebben kunnen mobiliseren voor populaire, massale betogingen.’

            Na de slotfanfares van de ouverture tekent de stem van Hitler zich af tegen een plotselinge stilte. Het begin van zijn rede is een deceptie. ‘Het heeft accent, maar niet het accent dat men ducht en nochtans wenst als een vervolg op de bevlogenheid der melodieën. Het is louter retrospectief, een historisch overzicht van de geschiedenis der Nazistische Partij en interesseert de Fransen niet, die zich zin voor zin het gesprokene laten resumeren door welwillende vertalers waaraan het niet ontbreekt in het dichte publiek. De betovering is verbroken. Al knetteren later de woorden als vlammend rijshout, of al perst de spreker de lettergrepen soms uit zijn keel alsof een woede hem de strot toesnoert, de begoocheling, de hypnose (verwekt door de muziek) zal niet worden hersteld. De Fransen zijn ontnuchterd en gedesillusioneerd.’ Langdurig bralde Hitler over de rechten van de Sudeten op het zingen van hun eigen liederen en het brengen van hun eigen groet, hetgeen de Tsjechen zouden verhinderen. Andere kwesties werden niet aangeroerd, zodat de mensen op straat zich gingen afvragen: is dat nu alles? moeten de naties van Europa elkaar daarvoor gaan uitmoorden en afslachten? komen de Nazi’s voor deze minderheid op, terwijl in hun land voor iedere Jood het concentratiekamp openstaat en voor een Christen die het regime mishaagt, de gevangenis? Toen een half uur na de uitzending de extra-edities van de kranten uitkwamen met een vertaling van de redevoering wierpen de mensen zich dan ook met drommen op de venters ‘alsof men zich haastte een nadere uitleg te vinden in een volledige tekst. Tot diep in de nacht bleef de Parijse bevolking op straat, verslonden in de lectuur der kranten. Maar een nadere uitleg, een aannemelijke motivering vond men niet. En nooit waarschijnlijk zal Adolf Hitler weten welk een unieke, welk een onschatbare gelegenheid hij gemist heeft om de Fransen te winnen voor zijn handelingen, of tenminste om twijfel uit te strooien aangaande de rechtvaardigheid der zaak welke de Fransman geroepen kan worden te verdedigen.’[91]

            De gebeurtenissen volgden elkaar snel op. Op 15 september reisde Neville Chamberlain naar Berchtesgaden voor een persoonlijk onderhoud met Hitler. Een week later was er een samenkomst in Godesberg, waar de Führer de onmiddellijke overgave van alle Duits-sprekende gebieden in Tsjecho-Slowakije eiste. Toen Chamberlain weigerde hiermee in te stemmen, leek de oorlog onvermijdelijk en werden als antwoord op het Duitse ultimatum de Engelse vloot en een groot gedeelte van het Franse leger gemobiliseerd. Binnen een etmaal waren anderhalf miljoen man onder de wapenen en had zich over Parijs een atmosfeer geweven ‘van gedempt geluid, van zelfingekeerdheid, van bijna religieuze berusting’. Het straatbeeld veranderde doordat veel bussen, vrachtauto’s en particuliere auto’s door het leger waren gevorderd; diverse taxi’s werden nu door vrouwen bestuurd. Overal groef men schuilplaatsen en op de uitvalswegen krioelde het van voertuigen die beladen met koffers de stad verlieten. Toch waren de mensen niet ontzind: ‘Daarvan getuigen de kerken die van ‘s morgens tot ‘s avonds gevuld zijn met de weduwen en wezen der vorige slachting en met kandidaten der volgende die misschien nog uitkomst en redding verwerven in dit hoogste beroep van een gebed, waar het menselijke verstand dreigt te falen.’[92]

            Het directe gevaar leek geweken na de conferentie te München op 29 september tussen Hitler, Chamberlain en de Franse minister-president Edouard Daladier; de Führer had enige concessies moeten doen. Toen Vermeulen evenwel het bleke gezicht van Daladier zag tijdens de Hernieuwing van de Vlam op het Graf van de Onbekende Soldaat op de eerste oktober, besefte hij dat Engeland en Frankrijk slechts een tijdelijk uitstel hadden bewerkstelligd en dat de doos van Pandora definitief in handen van Hitler was geraakt. ‘Reeds door de bedreiging van haar te openen, kan hij het humane deel der mensheid naar willekeur en welbehagen in afgronden van wanhoop dompelen. Het eerste experiment is te goed geslaagd om de verleiding niet uit te lokken van het te herhalen. Hoe meer wij wapenen, des te omvangrijker zullen de ruïnes zijn. En in deze atmosfeer van radeloosheid en onmacht, geschapen door iemand, die het beeld oproept van boze tovenaars uit oude legenden, zal Europa voortaan verder moeten leven.’[93]

 
 

Intussen vonden er grote veranderingen in Europa plaats. In Spanje behaalde Franco, gesteund door het geavanceerde wapentuig van Hitler en Mussolini, na een jarenlange strijd de overwinning. Kort vóór de definitieve nederlaag van de republikeinse troepen trok een grote stroom vluchtelingen over de Pyreneeën naar Frankrijk. Evocatief schilderde Vermeulen – in een relaas waartegen moderne journaalbeelden nauwelijks kunnen opwegen – hun ontberingen: ‘Van alle uittochten, en zonder te vergeten de vlucht der Belgen uit hun brandende dorpen, zal de exodus der Cataloniërs waarschijnlijk de gruwelijkste en de meest fantastische worden uit de oude en nieuwe geschiedenis. Want als er een volk was dat de Rode Zee doorwaadde om aan barbaarse onderdrukkers te ontsnappen, er is nog geen volk geweest, geloof ik, dat een bergketen overstak van ongeveer tweeduizend meter hoogte, midden in de winter, over passen en ravijnen die kronkelen tussen de witte oneindigheden van sneeuw. Van heinde en verre, over afstanden van tientallen kilometers, langs paden welke gemitrailleerd werden door vliegtuigen, zijn ze gekomen, de meesten te voet, sommigen op muilezels en hotsende karren, enkelen in automobielen, de onafzienbare horden van grijsaards, vrouwen en kinderen, elk met een haveloze vracht op de schouders, de verminkten op hun krukken, de gewonden wier bloed wegsijpelt door de gipsverbanden, en zelfs de zieken, de stervenden. Met duizenden en duizenden zijn zij gekomen om afgejakkerd na uitputtende dagmarsen door weer en wind, slapend op doorweekte dekens onder de blote hemel, met kinderen die schreien van honger, vermoeidheid en schrik, met het gejank en gehuil der motoren in de oren, de wanhopige beklimming te ondernemen der Pyreneeën.’

            Groot was zijn ontzag voor de wijze waarop de 150.000 republikeinse soldaten hun terugtocht regelden: ‘Deze verslagen legerkorpsen, die hun oorlog begonnen zonder officieren (op 300 na waren in 1936 alle officieren gedrost, vermoord of gekerkerd), deze gehavende doch onberispelijke troepen redden uit de nederlaag niet alleen hun voltallige artillerie, al hun mitrailleuses, tanks, geweren, vrachtwagens, rollende keukens, de rest van hun materieel, hun vliegmachines, hun schepen, hun goud, zilver, effecten, zelfs hun kunstschatten, maar zij redden ook de samenhang hunner formaties, welke, de omstandigheden in aanmerking genomen, een zekere marsorde behielden na de moorddadigste offensieven, onophoudelijk bestookt uit de lucht, en hoewel vechtend tot de laatste dag.’ De gedisciplineerde terugtocht van de Catalaanse troepen zag hij als een bewijs van ‘manoeuvreervermogens waartoe menig beroemd veldheer uit het verleden (o.a. Napoleon na Rusland en Waterloo) niet de energie bezat en de andere vereiste talenten’.[94] Uit de bewogen toon van dit artikel spreekt de sympathie die Vermeulen voelde voor de anti-fascistische strijders.

            In maart 1939 annexeerde Hitler het westelijk deel van Tsjecho-Slowakije. Zonder slag of stoot stelde het Tsjechisch-Slowaakse leger al zijn manschappen en materieel ter beschikking aan de Nazi’s. In Frankrijk, waar de mobilisatie uitgeroepen was juist wegens de hachelijke positie van dit geallieerde land, was men hierover zeer verontwaardigd. De zware industrie van Bohemen, gemoderniseerd met grote kapitalen die verscheidene Franse regeringen hadden geïnvesteerd, viel in handen van de vijand. Eindelijk was iedereen van de ernst van de situatie doordrongen. Een decreet van Daladier tot het instellen van een 60-urige werkweek voor alle industrieën die betrokken waren bij defensie, werd zonder morren uitgevoerd. Niet alleen liet men de Franse wapenfabrieken op volle toeren werken om de achterstand weg te werken, ook werden in allerijl Amerikaanse vliegtuigen aangekocht. Geen enkele partij verzette zich meer tegen de gigantische overheidsuitgaven; de energie verslindende tweespalt was als sneeuw voor de zon verdwenen. Keer op keer wijst Vermeulen op het versterkte moreel van de Franse bevolking. Uit de grond van zijn hart hoopt hij dat Hitler de sprong in het duister niet zal wagen en dat Europa gespaard zal blijven voor de vloek van het Nibelungen-goud, zoals hij het dreigende onheil begin april noemt in ‘Boven de afgronden’, een artikel waarin hij de Nazileider op psycho-analytische wijze beschrijft.[95]

 
 

HET TIJ IS NIET TE KEREN (1939-1940)

 Na terugkeer in Frankrijk moest Vermeulen weer als Hugo Reynst verder. Dat kostte hem blijkbaar veel moeite; het eerste artikel is gedagtekend 3 juni.

            Voor de zoveelste maal maakte hij een inschatting van de situatie in Europa. Velen waren van mening dat in de voorgaande weken de oorlogsdreiging afgenomen was door de ferme houding van zowel Engeland als Frankrijk, maar Vermeulen waarschuwde voor illusies. Zeker, het gevaar voor een onverhoedse overrompeling was verminderd; niets echter wees erop dat Hitler en Mussolini in hun hoogmoed en zelfverblinding op hun stappen terugkeerden: ‘Noch hun redevoeringen noch hun toebereidselen wijzen op een dergelijke, voor ieder heilzame ommekeer.’ Vermeulen schetste de problemen waarvoor de dictatoren zouden komen te staan als zij voor de internationale druk zouden zwichten en van hun ongebreidelde aspiraties afzien: ‘Dan moeten zij een reusachtige industrie, die sinds jaren bijna uitsluitend arbeidt voor de bewapening, demobiliseren. Wat zullen zij aanvangen met hun miljoenen werkelozen? Zij moeten hun gehele handel, hun complete economie reorganiseren. Zij moeten hun volken weer voeden als gewone mensen, een normale eetlust bevredigen.[96] Zij zullen bijgevolg andere en duurdere grondstoffen moeten kopen en betalen. Wie zal hun daarvoor de fondsen voorschieten? Zullen de dictatoren, die nimmer met andermans belangen of opinies rekening hielden, zich aan een min of meer hinderlijke curatele van geldschieters willen onderwerpen? Is dat zelfs denkbaar? Zullen van hun kant de grote en kleine wereldmogendheden daartoe bijdragen met vers geld, dat de ontelbare, kolossale wapenfabrieken der dictatoren zich met hun arbeiders transformeren in concurrerende handelsindustrieën?’[97] Neen, er was geen aanleiding om te geloven in een wijziging van plannen in Berlijn en Rome. Terecht bleven, zoals Vermeulen bij terugkeer uit Nederland had kunnen constateren, de treinen in Frankrijk met blauwe lichten rijden zodat ze onzichtbaar waren voor vijandelijke vliegtuigen, en bleven de namen van stations, die de piloten zouden kunnen helpen zich te oriënteren, beplakt met stroken zwart papier.

            Om Duitsland en Italië te overtuigen van de defensieve kracht van Frankrijk was het traditionele défilé op de veertiende juli van 1939 van een uiterlijk vertoon als nooit tevoren: ‘Men bewees twee dictatoren de eer van de imposantste revue welke Parijs ooit beleefde. Deze attentie, wanneer ze over genoeg verstand beschikken om niet boven de menselijke macht te gaan, zou hun voldoende moeten zijn.’ Opnieuw vermorzelden tanks en pantserwagens het asfalt over kilometers, een schadepost van miljoenen, maar dat hadden de Fransen er graag voor over. Voor het eerst marcheerden Engelse troepen mee om uiting te geven aan de verbondenheid die sinds kort, na jaren van wantrouwen jegens de politiek van Frankrijk, openlijk door Londen beleden werd. Voor Vermeulen die zo dikwijls tegen de achterdochtige houding van de Engelsen had gefulmineerd, waren ze uiterst welkom, de rood-zwarte horse-guards, de gerokte Schotten, de mariniers en vliegeniers, vergezeld van een minister en de chef van de generale staf. Een bonte stoet van troepen uit eigen land en de koloniën trekt langs: ‘Groot-Frankrijk met zijn Vreemdelingenlegioen, gelouwerd met legenden van fabelachtig avontuur, met dapperheid die een majesteit wordt als bij de dolende ridders van eertijds. Groot-Frankrijk met zijn bataljons te voet, te paard, op wielen, van tirailleurs uit Tunis, Marokko, Algiers, de Sahara, Senegal, de binnenlanden van Afrika, Madagaskar, en Indo-China, met hun chechia’s,[98] hun rode of witte mutsen, hun wollen burnoezen, hun tropenhelmen, hun nieuwe uniformen, rossig-geel gekleurd als het zand der woestijn en de huid der leeuwen. Voor de eerste maal zijner geschiedenis nam het Koloniale Leger van Frankrijk, sedert een jaar meer dan verdubbeld, in zijn ganse omvang deel aan een défilé. De Annamieten beneden de gewone maat, bijna dwergachtig maar lenig en rap; de Arabieren, struis en onstuimig; de Negers, atletisch, bonkig en reusachtig.’ Hopelijk, zo gaat Vermeulen verder, deed het verslag dat Duitse en Italiaanse spionnen zouden uitbrengen enige huiver ontstaan bij hun ‘sabelrinkelende meesters’. In het relaas van de boodschappers moest zeker melding worden gemaakt van de stemming onder de mensenmenigte die zich uit alle windstreken naar Parijs begeven had. De goed gehumeurde, optimistisch gestemde massa overstelpte de regimenten ‘met orkanen van acclamaties, waarbij zelfs het gedaver der motoren en der fanfares verdoofde’.[99]

De wereld ging voort zich toe te rusten voor de oorlog. Half augustus schreef Hugo Reynst het stuk ‘De heksensabbath der miljarden’, naar aanleiding van publicaties in de Franse Staatscourant aangaande de hoogte van de bedragen die de diverse landen in Europa het afgelopen half jaar aan bewapening had besteed, bij elkaar de astronomische som van 800 miljard francs. In het gunstigste geval, zo redeneerde Vermeulen, was het allemaal gestoken in materieel dat over luttele jaren als verouderd zou worden afgedankt en ongebruikt naar de schroothoop zou verdwijnen. Dan had het ten minste zijn taak van afschrikking vervuld. Hij kon echter niet nalaten te fantaseren over een betere besteding van het geld: ‘Verbeeld u een ogenblik de fabuleuze werken welke tot stand gebracht zouden kunnen worden met niets dan de vredeskosten van zes maanden: de gehele Sahara gekanaliseerd, geïrrigeerd met kunstmatig aangevoerd water, de complete Sahara vruchtbaar gemaakt, bewoonbaar, bebouwd, doorkruist met spoorwegen. Wat valt er niet te ontginnen, te saneren, te ontwouden, te bevolken, moerassen te dempen, wegen te banen, bergen te doorboren, kanalen te graven, kortom te humaniseren in het zogenaamde moderne, geciviliseerde, overbevolkte Europa? Zouden er minder machines gedraaid, minder handen gearbeid, zouden er minder werkuren uitbetaald zijn, wanneer de activiteit van de mens zich gewend had naar het leven, in plaats van naar de dood en een stupide, nutteloze ondergang? Integendeel. Met achthonderd miljard had men duurzaam werk kunnen scheppen op een herboren planeet.’[100]

            Schokkend was het bekend worden van het op 23 augustus tussen Stalin en Hitler gesloten non-agressiepact dat men in Frankrijk natuurlijk niet anders dan als verraad van Sovjet-zijde kon zien. Duitsland had nu de handen vrij. Op 1 september 1939 werd Polen overvallen en kwam Frankrijk wegens de alliantie met Polen ook in oorlog. Onmiddellijk meldde Vermeulens oudste zoon Roland zich voor dienst aan en vertrok naar zijn regiment in de buurt van Perpignan. Josquin kreeg te horen dat hij wegens zijn leeftijd nog moest wachten. Aangezien het voor de hand lag dat de weg naar Soerabaia versperd zou kunnen worden, schreef Vermeulen dezelfde maand aan Sanders om hem te vragen of Het Volk misschien ruimte had voor Parijse correspondenties: ‘Het is een der weinige pogingen welke ik doen kan om enigszins nuttig te zijn en mijn zorgen te verlichten.’ Hij verzuchtte: ‘Adieu en au revoir alle muziek!’[101]

            Ook Sanders was terneergeslagen: ‘Helaas, onze vrees is werkelijkheid geworden. Wij zitten in de tweede wereldoorlog en het lijkt bijkans te veel voor één mensenleven. Terwijl ik dit schrijf, voel ik hoe weinig recht ik heb tot zelfbeklag, waar er zovelen zijn, als u zelf, die onmiddellijk erin betrokken zijn. Als dit nu maar werkelijk leidt tot een voorgoed neerslaan van het beest en het scheppen van de voorwaarden voor een maatschappij, waarin de cultuur weer opbloeien kan...’[102] Hij meldde Vermeulen dat hij het voorstel bij de hoofdredactie besproken had, maar die kon niets beloven, aangezien men in onzekerheid verkeerde over voldoende papiervoorraad voor de krant. Sanders deed hem verscheidene suggesties aan de hand. Zo lang echter de post naar Nederlands-Indië nog niet onmogelijk werd, heeft Vermeulen geen andere stappen ondernomen. Ook in Soerabaia was direct in september al papierschaarste; Vermeulen kreeg niet langer zijn stukken in druk toegestuurd.

            Hoewel de oorlog met Duitsland zich in de eerste maanden beperkte tot schermutselingen aan de grens, was men in Parijs op het ergste voorbereid. Kinderen werden geëvacueerd en in schouwburg en concertzaal kreeg alleen het aantal bezoekers toegang, waarvoor bij een luchtalarm plaats zou zijn in de dichtst bijzijnde schuilkelder. Ook vaardigde de overheid verduisteringsvoorschriften uit, waarbij de bevolking kon kiezen tussen het ophangen van dubbele gordijnen of het toestoppen van alle reten en kieren in de luiken of het blauw verven van de lampen. Hugo Reynst schilderde de onwezenlijke situatie: ‘De meesten kozen de derde oplossing en schilderden hun elektrische peren in tinten van korenblauw, lavendel, maagdepalm of azuur. En toen de avond viel hadden wij voor de eerste keer de impressie een schrede te zetten in een gevaarlijke, onzalige zone, op verboden grond. Het huis was een soort van crypte geworden waar wij rondgingen met het gevoel van reeds voor de helft schimmen geworden te zijn. De meubelen, de familiaire portretten aan de wand, wijzelf in een spiegel, de gezichten die ons van lang her vertrouwd en gemeenzaam waren, wij hervonden ze met moeite. Bij elke zonsondergang zullen wij vol raadselen en melancholie dezelfde toer van desincarnatie en reïncarnatie uitvoeren in een Stad welke geworden is als een onmetelijke, sombere necropool, bespikkeld met wazige, blauwe dwaallichten, tussen welke wij doen als spoken.’

            De regering decreteerde nog meer dat een zichtbaar teken van de oorlog opleverde: ‘Na de lampen geverfd te hebben gingen wij over tot de tweede verdedigingsmaatregel. Wij beplakten de ruiten met stroken papier, om te verhinderen dat zij in scherven vallen als zij barsten. Tussen onze ogen en de buitenwereld hingen wij op het doorzichtige glasscherm een geometrische figuur. Een forse diagonaal, stevig geankerd in de hoeken. Een ander ondubbelzinnig symbool. Tegen het zonlicht schreven wij de X als de grote onbekende van een hoofdbrekend en hartverscheurend probleem. Als een vermenigvuldigingsteken achter alle zorgen, kommer, pijn en smart waaronder de rampspoedige, voor het ongeluk gepassioneerde mens, ook zonder versplinterende bommen reeds voldoende gebukt gaat. De harde X, als twee strepen, twee barre krassen door alle rekeningen. Als aanduiding van een kruispunt op ieders levensweg.’[103]

Josquin bereikte op 2 november 1939 de leeftijd van achttien jaar, waarop hij formeel het leger in kon. Hij moest een keuring ondergaan en een uitgebreid medisch onderzoek wegens een schedelbasisfractuur die hij in de zomer van 1938 had opgedaan bij een ernstige val. Vermeulens zoons waren gewoon allerlei gymnastische toeren uit te halen aan een touw dat zij in een van de grote bomen hadden vastgebonden. Ondanks de regelmatige vermaning van hun vader om altijd eerst de knopen te controleren, ging het op een dag mis en liet het touw los, toen Josquin zijn oefeningen deed. Er ontstond een breuk in de schedel waarvan het litteken af en toe op de hersens drukte. Josquin had wel vaker aanvallen die op epilepsie leken te wijzen. Het medisch onderzoek, in Fontainebleau, waar Josquin in observatie was, nam een volle maand in beslag. Ook Vermeulen was gespannen. Enerzijds wenste hij dat zijn zoon niet afgekeurd zou worden, anderzijds wist hij dat maar één op de vijf soldaten heelhuids door een oorlog komt. Toch was het een opluchting dat Josquin door de autoriteiten werd aangenomen. Anny schreef hem al die tijd lange brieven, waarin ze veel herinneringen ophaalde en sprak over de sterke band tussen Matthijs en Josquin. Ook ging het over zijn beslissing om katholiek te worden, hetgeen hij als eerste aan zijn zuster had laten weten, die al eerder tot die stap was overgegaan en hierin veel invloed op hem had uitgeoefend. Ofschoon de Vermeulens hun kinderen volstrekt vrij lieten in hun keuzes, was Josquin onzeker wat zijn vader ervan zou vinden. In december vertrok hij naar Zuid-Frankrijk voor een training in Tarbes.

[…]

De oorlog was in volle gang. Na het weerloze Polen was het volgende zwakke land aan de beurt. In december 1939 vielen de Russen Finland binnen, waar de burgerbevolking erg te lijden had van alles-vernietigende bombardementen en beschietingen uit de lucht, voor Vermeulen opnieuw een bewijs van de noodzaak van een goede luchtverdediging. Met voldoening constateerde hij dat het de Fransen gelukt was om binnen drie maanden de oorlogsindustrie op volle toeren te krijgen ondanks vijf miljoen man onder de wapenen. Zodra men in officiële kringen de voltooiing meldde van een tweede verdedigingsgordel achter de Maginot-linie, gaf Vermeulen deze informatie door aan de lezers in Nederlands-Indië. Tot zijn verontwaardiging werd er in Frankrijk ook propaganda bedreven door enige tienduizenden Moskou-getrouwen, die kleine strooibiljetjes verspreidden met het motto: liever te leven onder Hitler dan te sterven onder Daladier.

            Intussen hanteerden de Duitsers een psychologische oorlogvoering tegen de Fransen. Nadat zij in het afgelopen jaar al de angst hadden aangewakkerd met het gerucht, dat op de elfde november om elf uur elf[104] de aanval op Frankrijk geopend zou worden, strooiden Duitse vliegtuigen begin maart boven Parijs en omstreken een vracht vuurrode briefkaarten uit met de tekst: ‘Français, préparez vos tombeaux pour le 15 mars!’,[105] ondertekend door Goering, Goebbels en Himmler. Later probeerden zij het vertrouwen in de samenwerking tussen Frankrijk en Engeland te ondermijnen door pamfletten af te werpen met de treiterende vraag: ‘Où sont les Anglais?’, verlucht met een afbeelding van Franse soldaten verstrikt in prikkeldraad en Engelse Tommies fuivend in een nachtkroeg.

            In maart 1940 waren Vermeulens beide zoons enige dagen thuis met verlof na een gedegen training. Trots lieten zij zich in uniform fotograferen. Een foto van ‘les Six de la Bicoque avec Kiki’ (zoals het bijschrift van Anny luidde) suggereert een ontspannen atmosfeer; een tweede echter, van Roland en Josquin (met zijn lievelingspoes Boulicot op schoot) tussen hun ouders, toont vooral ernstige en bezorgde blikken.

            Voortdurend hielden de strategische kanten van de oorlog Vermeulen bezig. Hij schreef bijvoorbeeld een artikel onder de titel ‘Is Engeland te blokkeren?’ Ook obsedeerde hem de kwestie waarom Finland nog steeds niet de hulp van Frankrijk inriep. Dan immers zouden Noorwegen en Zweden volgens het internationale recht doortocht moeten verlenen aan de troepen die Frankrijk al lang gereed hield. Nu moest het werkeloos toezien hoe Finland op een capitulatie afstevende. Vermeulen vroeg zich af welk belang de Duitsers konden hebben bij de aanval op Noorwegen, die het verlies van een deel van hun vloot ten gevolge had, maar geen toegang tot het Zweedse ijzererts verschafte. Naar aanleiding van de verwoestingen die de Duitsers hadden aangericht (het neutrale Noorwegen had zich onvoldoende bewapend), concludeerde hij dat helaas de onschuldigen het gelag betaalden: ‘Wie geen bombardeerders heeft, krijgt de bommen. Want onze demonische wereld, waar de gedrochtelijkste hypothesen normaal werden, heeft ook deze paradox verwezenlijkt, dat satan zich slechts laat uitdrijven met satan.’[106] Het lot van de Noren leerde, dat de neutrale status van een land geen enkele betekenis had voor Hitler. In een artikel, genaamd ‘Ongelukken der neutraliteit’, sprak Vermeulen de overtuiging uit, dat Noorwegen niet bezet zou zijn, als het zijn onzijdigheid had opgegeven en Engelse troepen op zijn territorium had toegelaten. Ongetwijfeld dacht hij bij het schrijven van deze regels aan de kwetsbare positie van Nederland.

[…]

[Op 10 mei] brak ook voor Nederland de oorlog uit. Hitler begon de zorgvuldig beraamde invasie, tegelijk met de overval op België, die mede bedoeld was om Frankrijk vanuit het noorden binnen te trekken. Hugo Reynst noteerde een week later: ‘De datum van 10 mei 1940 is de gewichtigste welke Nederland sinds vier eeuwen in zijn geschiedenis heeft opgetekend. Hier begint een nieuw hoofdstuk. Op die dag hebben wij onberekenbare offers en een peilloos lijden aanvaard om het recht te behouden, een zelfstandige natie te zijn.’ Hij toonde zich uitermate verbolgen over de achterbakse acties van Duitse agenten waardoor de invasie zo gestroomlijnd was verlopen. Na de verraderlijke aanval was er maar één conclusie mogelijk: ‘Ik, die twee jongens heb in de Franse heerscharen, beiden vrijwilligers, weet sinds lange tijd dat zij door te vechten voor Frankrijk ook vechten voor Nederland. Wij zullen Nederland en de Nederlandse ziel slechts herwinnen en behouden als wij alle consequenties trekken uit de gedaante waarin het Duitse Volk zich voor ons vertoond heeft in deze week van gruwel, als wij even totaal, met alle vezels van ons wezen, met al ons voelen en met al ons denken, anti-Duits kunnen worden, anti-Duits kunnen blijven tot in lengte van dagen, even onverbiddelijk en even eensgezind anti-Duits als wij Nederlands kunnen zijn tot in de dood.’[107]

            In een volgend artikel besprak Hugo Reynst de tactische blunders die de militaire leiding van Frankrijk had begaan. De Duitsers omzeilden de Maginot-linie en troffen feilloos het gat in de verdediging tussen Namen en Sedan, waar slechts een handjevol troepen lag. De Franse verdedigers, die een aanval uit het oosten hadden verwacht, raakten volkomen de kluts kwijt en hele regimenten gaven zich zonder slag of stoot over. Het Duitse leger trok in hoog tempo op naar Parijs.

            Daar waren intussen, behalve veel Belgische vluchtelingen, ook twaalfhonderd uitgeweken Nederlanders aangekomen, waarvan er velen opgevangen werden in het zogeheten Juliana-huis. Net als in 1914 transformeerde Vermeulen zich tot een oorlogsverslaggever. Hij zocht zijn landgenoten op om het relaas van hun vlucht nauwkeurig vast te leggen. Hun getuigenissen over de gruweldaden van de Duitsers waren huiveringwekkend: treinen en wagons gevuld met vrouwen, kinderen en grijsaards, lange ritsen fietsers, propvolle auto’s werden door vliegtuigen beschoten onder voorwendsel dat soldaten zich zouden verschuilen achter de armzaligen, in werkelijkheid om paniek te veroorzaken op wegen en spoorlijnen en daarmee de Franse troepentransporten te belemmeren. Onder de uitgewekenen bevond zich ook de schrijver A. den Doolaard, ‘die al vluchtend met mevrouw op de fiets uit Essen-Roosendaal een halve roman heeft kunnen redden, welke hij hoopt af te maken’. Horend van de gevaren waaraan de Nederlanders tijdens hun lange tocht hadden blootgestaan, moest Vermeulen onwillekeurig denken aan verre kameraden als Martinus Nijhoff, die officier was geworden en om wie hij zich zorgen maakte. Hij liet zijn stuk over de belevenissen van de vluchtelingen voorafgaan door een citaat uit De Vliegende Hollander: ‘De zon, de sterren van de nacht, Zij varen voort in eeuwigheid. Maar onze reis is na een tijd Gelukkiglijk volbracht.’ Vervolgens vraagt hij: ‘Leeft hij nog, de dichter Nijhoff, Pom voor al zijn vrienden, die bovenstaande regels tien jaar geleden dichtte? Ik zie hem in de voorbije nachten de blik heffen naar de sterren die onbewogen voortvaren en die reeds wisten wie de reis na een tijd “gelukkiglijk” zouden volbrengen en wie niet.’[108]



     [1] Soerabaiasch Handelsblad, 15-6-1926.

     [2] Soerabaiasch Handelsblad, 22-6-1926.

     [3] Soerabaiasch Handelsblad, 8-1-1927.

     [4] Brief van R.N. Roland Holst, 6-3-1927.

     [5] C. Tielrooy-de Gruyter in Critisch Bulletin, november 1931.

     [6] De Gids 91/4 (juli 1927), 168-177.

     [7] Georges Duhamel, Journal de Salavin (Parijs 1927); Guy de Pourtalès, Montclar (Parijs 1926); Georges Ribemont-Dessaignes, Céleste Ugolin (Parijs 1926) en Louis Bertrand, Sainte Thérèse (Parijs 1927).

     [8] De Gids 91/3 (september 1927), 456-466.

     [9] Soerabaiasch Handelsblad, 16-7-1927.

     [10] Soerabaiasch Handelsblad, 18-6-1927.

     [11] Soerabaiasch Handelsblad, 2-7-1927.

     [12] De Gids 92/2 (mei 1928), 281-291.

     [13] Het artikel `De laatste Stravinsky’ verscheen in het nummer van juli 1928; Rythme werd geleid door de directeur van de Amsterdamse Stadsschouwburg Merkelbach en had vele medewerkers. Het blad heeft maar één seizoen bestaan.

     [14] Pijper citeerde Vermeulens uitspraak over het perfecte Niets in een artikel (1928) en voegde daaraan toe: `en dat lijkt mij nog bijzonder mild geoordeeld’. Zie: W. Pijper, De Stemvork (Amsterdam 1930), 44.

     [15] Letterkundige almanak Erts (Amsterdam 1929), 100-103.

     [16] Brief aan Jan Engelman, 5-8-1928.

     [17] Georges Duhamel, Le voyage de Moscou; Luc Durtain, LAutre Europe, Moscou et sa foi; Alfred Fabre-Luce, Russie 1927; Andrée Viollis, Seule en Russie de la Baltique à la Caspienne; Géo London, Elle a dix ans, la Russie rouge.

     [18] Soerabaiasch Handelsblad, 16-6-1928.

     [19] In het Soerabaiasch Handelsblad van 26 en 27 augustus 1927 besprak Vermeulen onder de titel ‘De techniek der Bolsjewistische Revolutie’ de infiltratie- en agitatiemethoden die gepropageerd werden in een studie in de Revue des Deux Mondes van 15 juli van dat jaar.

     [20] ‘Het plan Z’, Soerabaiasch Handelsblad, 6-11-1928.

     [21] Soerabaiasch Handelsblad, 4-9-1928.

     [22] Van de zending maakte Heden ik, morgen gij (1927) mogelijk deel uit.

     [23] Om welk boek het gaat, is niet bekend. Vermeulen heeft het niet uit Frankrijk naar Nederland meegenomen.

     [24] Soerabaiasch Handelsblad, 8-8-1929.

     [25] Soerabaiasch Handelsblad, 13-5-1929.

     [26] Soerabaiasch Handelsblad, 23-7-1929.

     [27] Soerabaiasch Handelsblad, 24-1-1929.

     [28] Soerabaiasch Handelsblad, 20-6-1929.

     [29] Soerabaiasch Handelsblad, 3-3-1928.

     [30] Soerabaiasch Handelsblad, 16-9-1930.

     [31] Soerabaiasch Handelsblad, 21-10-1930.

     [32] Soerabaiasch Handelsblad, 2-2-1930.

     [33] Soerabaiasch Handelsblad, 4-3-1931.

     [34] ‘Een Vooruitgang’, Soerabaiasch Handelsblad, 11-4-1931.

     [35] Brief van Martinus Nijhoff, 27-9-1930.

     [36] Brief aan H.T. Colenbrander, 18-3-1931.

     [37] Soerabaiasch Handelsblad, 22-4-1931.

     [38] Soerabaiasch Handelsblad, 27-5-1931.

     [39] Soerabaiasch Handelsblad, 29-5-1931.

     [40] ‘Achter de noten’, De Gids, 95/3 (augustus 1931), 272-277.

     [41] Brief van H.C. Zentgraaff, 13-11-1931.

     [42] Brief aan H.C. Zentgraaff, 14-12-1931.

     [43] Met de regel ‘O Kerstnacht, schoner dan de dagen’ begint een van de reien uit Vondels Gijsbreght van Aemstel.

     [44] Soerabaiasch Handelblad, 23-1-1932.

     [45] Soerabaiasch Handelsblad, 6-3-1930.

     [46] Soerabaiasch Handelsblad, 16-1-1932.

     [47] ‘De nieuwe muze’, Soerabaiasch Handelsblad, 19-1-1932. Het artikel is herdrukt in De stem van levenden, 18-21.

     [48] Soerabaiasch Handelsblad, 25-2-1932.

     [49] Soerabaiasch Handelsblad, 16-4-1932.

     [50] ‘De grote utopie’, Soerabaiasch Handelsblad, 9-3-1932 en 12-3-1932.

     [51] Brief van H.C. Zentgraaff, 4-4-1932.

     [52] Dit blijkt bijvoorbeeld uit Vermeulens artikel over het surrealisme in De Gids van januari 1929.

     [53] Dante, Divina Commedia, Paradiso 33, 145.

     [54] ‘Onder den hemel’ II, Soerabaiasch Handelsblad, 7-5-1932.

     [55] ‘Een hopeloos geval’, Soerabaiasch Handelsblad, 24-8-1932.

     [56] Soerabaiasch Handelsblad, 25-11-1932.

     [57] Soerabaiasch Handelsblad, 11-1-1933; De Gids 97/1 (februari 1933), 328-331. Ook alle overige boeken van deze roman-fleuve in 27 delen heeft Vermeulen later besproken, in het Soerabaiasch Handelsblad van 28-1-1936 en in De Groene Amsterdammer van 7-9-1946.

     [58] Soerabaiasch Handelsblad, 18-1-1933.

     [59] ‘Een koninkrijk voor een man’, Soerabaiasch Handelsblad, 17-2-1933.

     [60] ‘Na vijftig jaren’, Soerabaiasch Handelsblad, 5-4-1933.

     [61] ‘Canossa’, Soerabaiasch Handelsblad, 1-7-1933.

     [62] Vermeulen doelt op Novalis’ hymne Muss immer der Morgen wieder kommen, een gedicht dat getoonzet is door Alphons Diepenbrock.

     [63] ‘Cosmopolis’, Soerabaiasch Handelsblad, 26-7-1933.

     [64] Soerabaiasch Handelsblad, 15-7-1933.

     [65] Soerabaiasch Handelsblad, 11-10-1933.

     [66] Soerabaiasch Handelsblad, 14-10-1933.

     [67] Soerabaiasch Handelsblad, 19-2-1934.

     [68] ‘Zes Februari’, Soerabaiasch Handelsblad, 28-2-1934.

     [69] Soerabaiasch Handelsblad, 22-3-1934.

     [70] Soerabaiasch Handelsblad, 26-5-1934.

     [71] ‘De oude Muze’, Soerabaiasch Handelsblad, 2-6-1934.

     [72] Soerabaiasch Handelsblad, 30-5-1934.

     [73] ‘Wit en Zwart’, Soerabaiasch Handelsblad, 14-7-1934.

     [74] ‘Een vooruitgang?’, Soerabaiasch Handelsblad, 13-2-1935.

     [75] Vermeulen ontleende deze titels aan de psalm De profundis en de liedcyclus van Moussorgsky Sans soleil.

     [76] Soerabaiasch Handelsblad, 29-5-1935.

     [77] ‘Vliegende Schooljeugd’, Soerabaiasch Handelsblad, 2-9-1935.

     [78] ‘Een gentlemen’s agreement’, Soerabaiasch Handelsblad, 13-7-1935.

     [79] Soerabaiasch Handelsblad, 6-11-1935.

     [80] ‘Optisch bedrog’, Soerabaiasch Handelsblad, 23-1-1936.

     [81] Soerabaiasch Handelsblad, 25-3-1936.

     [82] ‘Een goede kennis’, Soerabaiasch Handelsblad, 9-4-1936.

     [83] Soerabaiasch Handelsblad, 27-11-1937.

     [84] Soerabaiasch Handelsblad, 13-1-1938.

     [85] ‘Bagatellen voor een slachting’, Soerabaiasch Handelsblad, 10-2-1938.

     [86] ‘Veranderend gezichtspunt’, Soerabaiasch Handelsblad, 13-6-1938.

     [87] Hans van Dijk en Marius Flothuis, 75 jaar GeNeCo. De geschiedenis van het Genootschap van Nederlandse Componisten (Amstelveen 1988), 22.

     [88] Soerabaiasch Handelsblad, 17-8-1938.

     [89] Soerabaiasch Handelsblad, 19-9-1938.

     [90] Verwijzing naar het elegisch gedicht Die Nacht (1800) van Friedrich Hölderlin, waarop Alphons Diepenbrock in 1910 een symfonisch lied componeerde.

     [91] ‘De man van de straat’, Soerabaiasch Handelsblad, 28-9-1938.

     [92] ‘Onder een loden mantel’, Soerabaiasch Handelsblad, 6-10-1938.

     [93] ‘De meester van het lot’, Soerabaiasch Handelsblad, 18-10-1938.

     [94] Soerabaiasch Handelsblad, 21-2-1939.

     [95] Soerabaiasch Handelsblad, 27-4-1939.

     [96] In Duitsland leefde men al jaren op Ersatz-producten.

     [97] ‘De nieuwe conjunctuur’, Soerabaiasch Handelsblad, 19-6-1939.

     [98] Cilindervormige rode muts van vilt.

     [99] ‘Si vis pacem, para bellum’, Soerabaiasch Handelsblad, 31-7-1939.

     [100] Soerabaiasch Handelsblad, 30-8-1939.

     [101] Brief aan Paul Sanders, 15-9-1939.

     [102] Brief van Paul Sanders, 26-9-1939.

     [103] ‘Onder de donkere lampen’, Soerabaiasch Handelsblad, 30-10-1939.

     [104] 11 november 1918 was de dag waarop de wapenstilstand een einde aan de Eerste Wereldoorlog maakte. Sindsdien een nationale feestdag voor de Fransen.

     [105] Dag waarop Julius Caesar in de Senaat vermoord werd, zoals hem in een voorspelling was aangezegd.

     [106] ‘Totale oorlog voor ... anderen’, Soerabaiasch Handelsblad, 8-5-1940.

     [107] ‘Anti-Duits tot in de dood’, Soerabaiasch Handelsblad, 29-5-1940.

     [108] Soerabaiasch Handelsblad, 10-6-1940.

 
get the Flash Player