“ Zodra muziek Schoonheid is, bestaat er geen onderscheid van oude en nieuwe methoden, van gewoonte of ongewoonte, van moeilijk of gemakkelijk voor de hoorder. Dan wordt zij natuurkracht. ”
Matthijs Vermeulen

en fr de

OVERZICHT VAN EERDER VERSCHENEN E-MAGAZINES EN NIEUWSBRIEVEN 
 
07 VOORSPEL TOT DE NIEUWE DAG [OVER DE TWEEDE SYMFONIE]
02 MATTHIJS VERMEULEN COMPONIST VAN DE WEEK BIJ DE VARA OP RADIO4
 

e-magazine nr. 21 (december 2009)
HUISWERK VOOR DE MINISTER
 
Charmant, dat is hij zeker, onze minister van Cultuur, Ronald Plasterk. Dit bleek weer eens bij het uitreiken van de Nederlandse Muziekprijs aan Lavinia Meijer op het podium van het Concertgebouw, waar zij tijdens de Zaterdagmatinee van 31 oktober een schitterende vertolking van Badings harpconcert had gegeven en het publiek had betoverd met het solostuk In balance van Isang Yun. Op innemende wijze gaf minister Plasterk uiting aan de collectieve bewondering voor het prachtige spel en de veelzijdigheid van de jeugdige harpvedette.
Maar gevoel voor decorum, daarover lijkt deze minister niet te beschikken. Want aansluitend aan de overhandiging van de Nederlandse Muziekprijs vond de uitreiking plaats van de Matthijs Vermeulen Prijs, de belangrijkste compositieprijs van ons land. Winnaar was Boudewijn Tarenskeen, vanwege zijn Mattheus Passie voor 19 zangers. Over of van het bekroonde werk kreeg het publiek niets te horen. Plasterk wees slechts naar de plaats op het podium waar hijzelf veelvuldig die andere Matthaeus Passion heeft staan zingen en duidde de visie van Bach op het lijdensverhaal op ironische, quasi-filosofische wijze. Goed bedoelde borrelpraat, maar volkomen misplaatst. En net zo tenenkrommend als zijn geïmproviseerde toespraak bij de viering van 60 jaar Donemus en 25 jaar Fonds van de Scheppende Toonkunst (op 7 oktober 2007 in het Muziekgebouw aan 't IJ).
Bij dat muziekfeest kwam de minister pas binnen na de vertoning van een documentaire waarin drie Nederlandse componisten (Huba de Graaff, Guus Janssen en Klas Torstensson) waren gevolgd bij het ontstaansproces van hun werk, van de eerste notaties op papier tot de presentatie tijdens een uitvoering. Ook had hij niet het concert meegemaakt met werken van Sander Germanus, Louis Andriessen, Misha Mengelberg en Torstenssons Self-portait with percussion, met slagwerkvirtuoos Peppie Wiersma in de hoofdrol. Voor menigeen kwam Plasterks verhaaltje over als een dweil in het gezicht.
         Bij de uitreiking onlangs van de Matthijs Vermeulen Prijs heeft de minister evenmin de informatie geraadpleegd die hem ongetwijfeld door een deskundige ambtenaar of het NFPK (Nederlands Fonds voor de Podiumkunsten), dat deze prijs in ere heeft hersteld, is verstrekt. Zo werd met geen woord gerept van de componist naar wie deze prijs is genoemd. Bij geen andere minister van Cultuur, waar ook ter wereld, zou zoiets voorkomen.
Om nu de minister, van huis uit beta-wetenschapper, een handvat te bieden voor zijn toespraak van het volgende jaar bied ik hem hierbij naar analogie van Albert Einsteins formule van de massa-energierelatie (u weet wel: E = mc2, dat wil zeggen dat massa evenredig is aan energie) een formule aan waarmee Vermeulens muziek kan worden gekarakteriseerd. Hier komt 'ie:
MV = E2 + C2
Ergo: Vermeulens muziek is energie in het kwadraat plus warmtecapaciteit in het kwadraat, waarbij de hoofdletter C ook kan worden opgevat als symbool voor het vermogen om te zingen, cantare. In deze argumentatie past Vermeulens naamgeving van zijn Eerste Symfonie die hij als volgt karakteriseerde: "De Eerste speelt nog op een grens tussen de negentiende en de twintigste eeuw, toen de grote schaduw nog niet gevallen was, en omdat zij hoofdzakelijk de betoverde verwachtingen uitspreekt van de dageraad der jeugd noemde ik haar Symphonia Carminum, symfonie der gezangen, carmen bedoeld in zijn dubbele zin van zang en toverzang."
         Minister Plasterk kan zich aanstaande zondag informeren over muziek van eigen bodem door de uitzending te volgen van Vrije Geluiden waarin Doris Hochscheid en Frans van Ruth vertellen over hun project CellosonateNederland. Voor iedereen trouwens van harte aanbevolen! Nederland 1, zondag 6 december, 10.30 uur.
 
En ten slotte nog dit: gelukkig ondervindt ook de muziek van componist-criticus Lex van Delden (1919-1988) een hernieuwde belangstelling. Toen Vermeulen in september 1946 na een afwezigheid van vele jaren als recensent voor De Groene Amsterdammer in het Concertgebouw aantrad, trof hij daar Van Delden als jongere collega voor Het Parool. Zij konden goed met elkaar opschieten, onder andere door een verwante visie op de maatschappij. Vermeulen sprak als criticus zijn waardering uit voor Van Deldens Rubáiyát (1948) voor koor, 2 piano's en 3 slagwerkers dat hij zeer interessant vond. Ook het duo dat Van Delden voor Hubert Bahrwaser (fluit) en Phia Berghout (harp) schreef, vond zijn instemming, evenals het orkestrale In memoriam ter herdenking van de slachtoffers van de watersnoodramp in 1953. Een uitgebreide karakteristiek schreef Vermeulen naar aanleiding van het oratorium De Vogel Vrijheid (1955) op tekst van J.W. Schulte Nordholt, voor sopraan, bariton, gemengd koor, kinderkoor en orkest. Het ging in première bij het 50-jarig jubileum van het Nederlands Verbond van Vakverenigingen op 5 juni 1956 in het Amsterdamse Concertgebouw. In de bijlage treft u Vermeulens bespreking aan.
         Voor informatie over komende uitvoeringen van werk van Lex van Delden kunt u terecht op de website die aan hem is gewijd; zie 'agenda'. Op de site van Muziek Centrum Nederland komt hij aan bod in de rubriek componist op de voorgrond.

e-magazine nr. 20 (oktober 2009)
JEUGDIG ÉLAN
 
Het was een enorm waagstuk dat het Leidsch Studenten Corps in 1929 op touw zette voor de viering van het 71ste lustrum (355-jarig bestaan) van hun universiteit. Naar huidige maatstaven is het gerust een multimediaal spektakel te noemen: een openluchtspel op een schiereilandje in de Kager Plassen waarbij meerdere boten aan de actie deelnamen, met geluidsversterking (een nieuw fenomeen) voor het gesproken woord, een verdekt opgesteld symfonieorkest en een koor van studenten die scheepslui en 'gewone' bevolking zouden verbeelden.
De dichter Martinus Nijhoff werd gevraagd een libretto te schrijven en Nijhoff haalde het LSC over om Vermeulen, die al jaren in Frankrijk in afzondering woonde, uit te nodigen voor het componeren van de bijbehorende muziek. In zijn tekst verweefde de dichter de legendes van de Vliegende Hollander en het Vrouwtje van Stavoren met het historische gegeven van de prediking door Bonifacius in de Noordelijke Nederlanden. Niemand minder dan architect H.Th. Wijdeveld werd vervolgens aangezocht voor het ontwerpen van de decors en de ingenieuze bouwwerken die op het drassige eiland moesten verrijzen: een compleet dorp, dat aan het eind van het spel onder water moest kunnen verzinken (Stavoren dat ten onder ging) om voor de volgende voorstelling weer opgetakeld te worden, voorts een havenhoofd en een kasteel. Voor het 1000-koppig publiek werd een tribune gebouwd aan de overkant van het water op het 'vasteland'.
Menig probleem moest worden overwonnen. Zo is op een gegeven moment gekozen voor het opnemen van het orkestaandeel op wasplaten (Vermeulen liet dat doen in een studio in Parijs met een Frans orkest), zodat er bij de repetities mee geoefend kon worden en er geen orkest voor drie uitvoering hoefde te worden ingehuurd. Ook was het daardoor mogelijk het decor aanzienlijk compacter te maken.
         Het tijdschema van de productie was al krap en bovendien overschreed Nijhoff telkens de tijdslimieten voor het inleveren van zijn verzen. Zo bleef Vermeulens bijdrage beperkt tot de muzikale omlijsting van Nijhoffs proloog en de begeleiding van een kort liturgisch paasspel in de tweede akte. Maar hij werkte er met overgave aan en was over zijn partituur  (met een totale speelduur van ruim 25 minuten) bepaald niet ontevreden. Alle wederwaardigheden tijdens dit grote avontuur, waarbij de muziek er bekaaid af kwam, zijn te lezen op de pagina De vliegende Hollander van deze website (met verscheidene geluidsfragmenten erbij en een pdf-file van mijn artikel 'VERMEULENS MUZIEK BIJ DE VLIEGENDE HOLLANDER - EXPERIMENT OP DE KAGER PLASSEN'.
         Vermeulens muziek bij de proloog bestaat uit drie delen. Eén daarvan (speelduur 8 minuten) wordt volgend weekend uitgevoerd door het Residentie Orkest o.l.v. John Storgards in de concertserie 'Mythen': op vrijdag 9 en zondag 11 oktober in de Dr Anton Philips Zaal in Den Haag en op zaterdag 10 oktober in het Scheldetheater in Terneuzen tijdens het Festival van Zeeuwsch-Vlaanderen.
         Een zacht beginnende inleiding (Allegro) met enige hoornsignalen illustreert de eerste ochtendactiviteiten aan de kade van de haven. De snelle beweging, waarop een dialoog plaatsvindt tussen de Torenwachter en de vlootadmiraal Hollander mondt uit in een rustige, koraalachtige melodie. Het is bijzonder dat juist dit gedeelte tot klinken wordt gebracht; veelal zijn het alleen de Passacaille en Cortège die door de componist in de jaren vijftig ter uitvoering zijn aanbevolen.
Bij Nijhoffs verzen zijn er verscheidene bijzonder mooi, zoals de openingszinnen:
   O torenwachter, gij, die waakt over het water,
   Men zegt, dat gij voorbij den blauwen einder heenblikt,
   En, in het scherpe schitteren, 't weerspiegeld spel,
   Waarvoor wij blind zijn, waarneemt der weerkaatste goden,
   Die daar de toekomst teekenen. Help mij, ik heb
   Vannacht gedroomd, een droom, die naderde als een vogel
   Uit een onzichtbare overzijde. Ik was gestorven,
   Droomde ik, en ik lag naakt lang-uit te bed. Een geest,
   Gekleed gelijk ik thans ben, klaar om uit te zeilen,
   Stond voor het kleine venster, maar, dwars door hem heen,
   Zag ik de zon, de haven en mijn schip daar. Hij,
   Nadat hij een geruimen tijd naar buiten blikte,
   Keerde zich om, en sprak: Het wordt de laatste reis.
De woorden van deze aanzegging zijn – meer dan vijftig jaar later – de titel geworden van de film die Kees Hin en Otto Ketting maakten over het weerbarstige levenspad van Matthijs Vermeulen.

e-magazine nr. 19 (augustus 2009)
VAN D-DAY TOT DE BEVRIJDING VAN PARIJS

Op 6 juni is D-Day herdacht, de landing van de geallieerde troepen op de Normandische kust, nu 65 jaar geleden.
         Op die dag in 1944 zat Matthijs Vermeulen, samen met zijn jongste zoon Donald, aan de radio gekluisterd om de berichten op te vangen van de BBC. Eindelijk was de slag om Frankrijk begonnen. Getweeën probeerden zij de krijgskansen in te schatten.
         Vermeulen had graag de maanden die hem restten vóór de bevrijding van Parijs besteed aan een nieuwe compositie (daags voor Pinksteren had hij het lied Le balcon voltooid), maar er wilde geen inspiratie komen. Er was ook zoveel om zich zorgen om te maken! Zijn oudste zoon Roland was aan het begin van de oorlog in krijgsgevangenschap afgevoerd; wat zou er van hem worden als Duitsland nog zwaarder gebombardeerd zou worden of wat zouden de Duitsers doen met dwangarbeiders die niet meer van nut waren?
         En de tweede zoon Josquin, die zeer actief was geweest in het Franse verzet, had eind februari het ouderlijk huis verlaten toen zijn groep dreigde opgerold te worden. Samen met zijn vader had hij gewikt en gewogen of hij naar Noord-Afrika zou gaan om aansluiting te zoeken bij het Franse invasieleger dat daar werd geformeerd. De uitkomst was: ja. Half maart bereikte Josquin het Spaanse Lerida, via een dik besneeuwde bergpas op 2500 meter hoogte in de Pyreneeën. Zoals alle uitgeweken Fransen werd hij door het Franco-regime voor korte tijd geïnterneerd. Na zijn vrijlating wachtte hij, ondertussen werkend als employé van het Franse consulaat, op transport naar Marokko. Op 23 mei vertrok hij naar Casablanca. Van zijn wederwaardigheden kon hij zijn ouders op de hoogte stellen in brieven die met lange vertraging aankwamen.
         Creatieve arbeid wilde dus niet lukken. Om niet aan wanhoop ten prooi te vallen besloot Vermeulen tot het maken van een netschrift van zijn Vijfde Symfonie, waarvan hij de eindstreep op 10 januari 1944 had gezet. Tijdens het bladzijde voor bladzijde overschrijven van zijn partituur, waarbij hij hier en daar de instrumentatie herzag, onderging hij zo'n discrepantie tussen de sfeer van de muziek die hij in de voorgaande jaren geschapen had en de realiteit van dat moment, dat hij zich voelde als "iemand die wakker wordt uit een diepe slaap en niet meer weet welke dag van de week het is".
         Dit gevoel van desoriëntatie is niet verwonderlijk als men beseft welke bedoeling Vermeulen bijvoorbeeld had met het middendeel van de Vijfde Symfonie: "In het Adagio heeft de componist getracht een invocatie te richten tot de liefde, en enigszins uit te drukken wat zij kan geven en hoe zij zou kunnen zijn in muziek." Als u de mp3-speler linksboven op deze webpagina aanzet, krijgt u het prachtige begin van dit Adagio te horen met een beurtzang tussen de tenorsaxofoon en de dwarsfluit boven een harmonisch veld.
         Nog meer luisterfragmenten en een toelichting op de Vijfde Symfonie Les lendemains chantants treft u HIER aan.
         Terwijl Vermeulen zijn notenpagina's met zorg kopieerde, was hij zich terdege bewust van wat zich in de buitenwereld afspeelde. De wetenschap dat bij de verovering van Caen veertig van de drieënvijftig duizend inwoners waren omgekomen, deed hem het ergste vrezen voor de bevrijding van Parijs. Het bericht van de aanslag op Hitler (20 juli) gaf even een glimp hoop, maar toen de Führer springlevend bleek en zijn tegenstanders onmiddelijk liet elimineren, was het duidelijk dat de strijd tot het uiterste zou worden gevoerd.
         Hij schreef naar zijn vrienden in Amsterdam, zich niet langer bekommerend om de censuur: "Gelijk in 't laatste toneel van de Götterdämmerung zullen de vlammen opslaan tot het Walhalla; aan hun tafel zullen de Goden zitten in de rook en de smook van de wereldbrand. Als het doek valt zal er in Europa evenveel overblijven als er overbleef in het honderdste jaar na de ondergang van het Romeinse Rijk: een massa puin van vermorzelde steden. En de huidige ondergang heeft nog minder zin dan de chaos van toen. De vijfde eeuw onzer jaartelling had in haar perspectief het ontluikende christendom met zijn kathedralen en zijn muziek. Maar de twintigste eeuw? De industriële productie, afzetgebieden, de welvaart van het individu, alias het geluk van de welgevulde varkenstrog, met begeleiding der harmonika, deze soevereine, universele uitdrukking, stem, tolk der twintigste-eeuwse infamie en ignominie."
         De toestand in en rond de Franse hoofdstad was inmiddels onhoudbaar; alle verbindingen werden onophoudelijk gebombardeerd. De voedselvoorziening was al maanden slecht, maar de Vermeulens hadden onlangs van het Nederlandse Consulaat elf kilo peulvruchten ontvangen, zodat hun voorraden nog niet uitgeput waren. Toch moest de kip bij gebrek aan voer tenslotte worden geslacht. Er was maar twee uur gas per dag. Anny Vermeulen, ziek en uitgeteerd, kookte buiten op een houtvuurtje tussen vier stenen, in een hoekje bij de huisdeur. Zo gingen zij de laatste oorlogsmaand in. Dikwijls scheerden tientallen vliegtuigen met een hels kabaal over hun woning.
         Ondanks hevige tegenstand verliep de opmars van de geallieerden gestaag. Toen de omsingeling van Parijs op 19 augustus een feit was, gingen ook de ondergrondse strijdkrachten in de stad in de aanval. De Vermeulens deelden in de opwinding en vreugde over de aanstaande bevrijding. De Duitsers echter gaven zich nog niet gewonnen. In de middag van de drieëntwintigste augustus, twee dagen voor de capitulatie, bliezen zij een munitieschip in de Seine op. De kracht van de explosie deed de ramen tot in Louveciennes springen. Vermeulen stond toevallig aan het venster en kreeg de splinters in het gezicht. Alles schudde en beefde. Die avond raakte zijn vrouw in crisis en kon vanaf dat moment geen voedsel meer binnen houden. De huisarts adviseerde na een week haar in het ziekenhuis te laten opnemen, wat zij weigerde. Ook Vermeulen zag er weinig heil in, maar liet zich overreden om Anny over te halen.
         Op 31 augustus werd zij op de laadbak van een vrachtauto (bij wijze van ambulance) naar het naburige St-Germain-en-Laye vervoerd. Matthijs heeft Anny niet meer levend teruggezien. Hij ging niet naar het bezoekuur, niet zozeer vanwege de afstand die hij te voet moest afleggen, maar meer vanwege een onoverwinnelijke afkeer van ziekenhuizen. Bovendien rekende hij erop dat zij zou genezen. Dagelijks schreef hij haar een briefje met een liefdesbetuiging. Hij gaf het Donald mee, die een fiets had weten te bemachtigen.
         Pas na zes dagen werd er een röntgenfoto gemaakt en besloten de doktoren tot een operatie. Deze vond op 7 september plaats. Anny is niet meer bijgekomen uit de narcose; zij stierf diezelfde middag om kwart voor zes. Donald trof het bed de volgende dag leeg aan en kreeg de taak de verpletterende tijding aan zijn vader over te brengen.

e-magazine nr. 18
"IF I SHOULD DIE, THINK ONLY THIS OF ME"

Tijdens een herdenkingsconcert in Haarlem worden twee liederen van Vermeulen ten gehore gebracht: THE SOLDIER voor bariton en piano en LA VEILLE voor mezzosopraan en piano. Uitvoerenden zijn alt/mezzo Cecile Roovers , bariton Charles van Tassel en Gerrie Meijers, piano.
         Het programma is getiteld "SUNS OF HOME" – Muziek en Gedichten. Op het affiche (zie bijlage) staat een foto met soldaten in een loopgraaf, uit de Eerste Wereldoorlog. Zij zijn goedgeluimd en poseren met een glimlach, maar talloze andere beelden getuigen van de verschrikkingen van de oorlog. Aan beide kanten van het front, waar jarenlang nauwelijks beweging in zat, vielen miljoenen slachtoffers. Door geweervuur, door granaten en bommen, door gruwelijk gifgas, maar ook – en dat geldt een hoog percentage! – door ziekte, complicaties na verwonding en pure ontbering.
         Vermeulen componeerde beide liederen (en nog twee andere, die eveneens in verband met de oorlog zijn ontstaan) in het najaar van 1917.
         In The Soldier brengt Rupert Brooke een ode aan zijn vaderland. Hij schreef het gedicht toen hij tijdens de Eerste Wereldoorlog als onderofficier diende in het Engelse leger op het vasteland. In het sonnet – een evocatie van het onbezorgde leven van zijn jeugd, vol zon, natuurschoon, vrolijkheid en gelukkige dromen – spreekt de dichter de gedachte uit, dat de herinnering aan Engeland voor altijd bewaard zal blijven in het stukje aarde van de verre streek waarin het lichaam van de soldaat komt te rusten. Vermeulen werd getroffen door de strekking van dit gedicht, waarin Brooke zijn eigen dood leek te voorvoelen (hij stierf in Griekenland op 23 april 1915 – aan bloedvergiftiging).
         Vermeulens compositie komt tijdloos over, door de mixolydische modus waarin het is vervat. De vervoering van de dichter over de schoonheid van zijn geboortegrond is weergegeven in een melodietype dat wordt bepaald door de regelmatige terugkeer van de opwaartse reine kwint. (Een fragment is op de website te beluisteren, waar u ook het gedicht van Brooke vindt; klik HIER.) Het eind van het lied lijkt met een wegstervend ostinato-motief de verzaliging in de herinnering weer te geven.
         Vermeulen publiceerde The Soldier als bijlage bij De Groene Amsterdammer. Onder de Engelse tekst was een Franse vertaling afgedrukt. Het moet de bedoeling zijn geweest dit eenvoudige, voor ieder stemtype uitvoerbare lied langs deze weg ook in Frankrijk en België bekend te maken. Wellicht hoopte Vermeulen dat soldaten het zouden zingen, zoals met Diepenbrocks oorlogslied Les poilus de l'Argonne het geval was.
 
Het prozagedicht La veille van François Porché is een fragment uit diens Le Poème de la Tranchée, gepubliceerd in Le Figaro van 19 november 1916. De scène die de dichter weergeeft, vindt plaats tijdens de nacht die aan een veldslag voorafgaat. De titel van het gedicht kan worden vertaald als 'de vooravond' of als 'de nachtwake'. In een toelichting bracht Vermeulen de psychologische inhoud als volgt onder woorden. "Een vrouw, eenzaam in haar stille kamer bij het bedje waar haar kind slaapt, valt in overpeinzing. Hoewel rondom haar alles nog kalm is, denkt zij aan al het dierbare dat zij door de oorlog bedreigd voelt. Een drang tot bidden welt zachtjes in haar op, en wordt langzaam sterker. Elk ding, elk wezen dat haar voor de geest komt schijnt te willen bidden, steeds dringender, steeds heftiger, terwijl het uur U nadert. In de ochtendschemering trekken de opmarcherende soldaten in een visioen aan haar voorbij. Van ieder neemt zij afscheid met een gedachte die nog bidden is."
         Meer informatie over dit lied en verscheidene luisterfragmenten zijn te vinden op de website, alsmede het complete gedicht. Hier slechts één opmerking. De syllabische, reciterende behandeling van de zangstem, geheel in overeenstemming met de dictie van de tekst, is vergelijkbaar met de prosodie van Debussy en Moussorgsky. (Beide zijn voor Vermeulen een voorbeeld geweest; Moussorgsky met zijn dikwijls 'naakte' akkoorden en ongepolijste expressie.) Pas aan het slot laat Vermeulen de zetting van één noot per lettergreep los. Na verscheidene stamelend uitgebrachte zinnen krijgen de melismen op "Adieu" een extra dimensie.
         Vermeulen situeerde La veille in "een stad, of een stadje, of een dorp, dicht bij het vallen van de nacht, ergens in Frankrijk, of ergens overal". Daarmee is zijn verklanking van de angsten en het leed die een oorlog berokkent, tot op heden actueel. Hij orkestreerde het lied in 1932, toen de eerste tekenen voor een nieuwe ramp op wereldschaal voor hem reeds zichtbaar waren.
         Zelf zou Vermeulen het aan den lijve ondervinden. Zijn zoon Josquin, die zich in 1939 vrijwillig bij het Franse leger meldde, tijdens de oorlog verzetsdaden pleegde in de ondergrondse en zich in 1944 bij het Franse bevrijdingsleger voegde, sneuvelde op 8 oktober 1944 in de Vogezen bij de verovering van een bergpas op de Duitsers. Hij ligt begraven op het kerkhof van Servance, naast degenen die op dezelfde dag vielen.
 

terug naar overzicht


 

 


e-magazine nr. 17 (april 2009)
EDUARD VAN BEINUM (1900-1959)
 
Schrik, paniek en – al snel erna – totale ontreddering... Tijdens de repetitie van het Concertgebouworkest op 13 april 1959 (vijftig jaar geleden, net als nu, een maandagochtend) tikte Eduard van Beinum vlak voor de pauze af, greep naar zijn borst, fluisterde 'O god dat gaat mis' en zakte in elkaar. Een van de violisten wist hem op te vangen. Van Beinum kon nog net om zijn zoon Bart vragen, die deel uitmaakte van het orkest. De dirigent stierf op het podium; er was geen redden meer aan. Hij was al lang hartpatiënt en moet het fatale moment voorvoeld hebben, want juist tevoren had hij, onverwacht voor het orkest, het tweede deel laten spelen van Brahms' Eerste Symfonie, met daarin een hobosolo die Haakon Stotijn altijd weergaloos mooi ten gehore bracht.
In Historie en Kroniek van het Concertgebouw en het Concertgebouworkest 1888-1988 staat het dramatische voorval indringend beschreven. En in de biografie die Bart van Beinum in 2000 over zijn vader publiceerde (zie onder), is te lezen hoe zorgelijk de gezondheidstoestand in verschillende periodes daarvóór was geweest; gedurende het seizoen 1950-1951 was hij bijvoorbeeld helemaal uit de roulatie. Tegenwoordig zou Van Beinums kwaal te verhelpen zijn geweest, maar een halve eeuw geleden nog niet. Zo overleed hij op 58-jarige leeftijd. Veel te jong.
         De dood van Eduard van Beinum bracht bij Matthijs Vermeulen een grote schok teweeg. De redactie van De Groene Amsterdammer belde hem met de ongelukstijding en daarbij het verzoek om een In memoriam te schrijven. Maar Vermeulen was zo ontredderd dat hij onmogelijk een letter op papier kon krijgen. Tijdens het componeren van zijn Zesde Symfonie (november 1956 – november 1958) had hij het dirigeren van Van Beinum voor ogen gehad en hij rekende erop dat Eed het werk in première zou geven; componist en dirigent hadden al samen door de partituur gebladerd.
         Maar eerder had Vermeulen dikwijls publiekelijk uiting gegeven aan zijn bewondering voor de dirigeerkunst van Van Beinum. Die bewondering was gewekt in mei 1939, toen Vermeulen aanwezig was bij een repetitie van zijn Derde Symfonie die door Van Beinum en het Concertgebouw ten doop werd gehouden (zie e-magazine nr. 8 in het archief), en is later alleen nog maar gegroeid. Een treffend voorbeeld van Vermeulens formuleringen over dit onderwerp is het artikel "Type van een dirigent", verschenen in De Groene Amsterdammer van 1 januari 1949.
 
 
         Ook in de artikelen die Vermeulen in zijn bundel De muziek dat wonder bijeenbracht komt Van Beinums naam veelvuldig voor. (Zie rubriek 'boekpublicaties'; op de betreffende pagina van de website kunt u desgewenst de zoekfunctie inschakelen.)
         Beeldmateriaal van Eduard van Beinum is jammer genoeg schaars voorhanden. Maar een paar fragmenten zijn te zien op de website van het Concertgebouworkest. Klik HIER en zet de betreffende video in werking.
         Ook Bernhard Haitink heeft zijn waardering voor Van Beinums kwaliteiten nooit onder stoelen en banken gestoken. Opnieuw bij zijn recente bezoek aan Amsterdam, waar hij een serie prachtige concerten gaf in het kader van zijn tachtigste verjaardag. Het was een heel bijzondere week, met dagelijks een door hem gedirigeerd werk op de televisie, en op beide zondagen een rechtstreekse uitzending op de radio. Meeslepend, ontroerend en hartverwarmend. Slechts één aspect miste ik in de programma's van Haitink en het Concertgebouworkest: een werk van een van de Nederlandse componisten die hij in het verleden een aantal malen voortreffelijk heeft uitgevoerd. Wat zou het niet prachtig zijn geweest, als hij opnieuw Diepenbrocks Die Nacht ten gehore had gebracht, het symfonische lied dat hij in 1971 met Janet Baker ten gehore bracht. Of een reprise van Vermeulens Eerste of Zevende Symfonie, in 1960 respectievelijk 1967 door hem gespeeld. Of de Treurmuziek uit de opera Thijl (1938-1940), zoals die klonk tijdens de Dodenherdenking op 4 mei 1990 in de Nieuwe Kerk te Amsterdam Op YouTube is die uitvoering te zien. (De geluidskwaliteit is voortreffelijk, het beeld veel minder, maar dat legt 'carminum' uit, zie: 'meer info'.) Buitengewoon indrukwekkend !
Zullen we het vragen als Haitink weer naar Amsterdam komt? "Ach Bernard, toe… laat ook uw licht nog eens schijnen over een partituur van een Nederlandse meester. Er is immers keuze genoeg."
         Maar intussen moeten we ons gelukkig prijzen met opnames van hem in het omroeparchief. Maandagavond 13 april komt in het programma BIS! van de TROS (samenstelling: Siebe Riedstra) Diepenbrocks Hymne an die Nacht "Muss immer der Morgen wiederkommen" (op tekst van Novalis) aan bod in een uitvoering op 20 februari 1959 door het Radio Filharmonisch Orkest o.l.v. Bernard Haitink, met Aafje Heynis. Het lijkt me een belevenis om dat terug te horen, ofwel rechtstreeks ofwel via 'uitzending gemist'.
         Misschien bezorgt het luisteren eenzelfde gevoel als Matthijs Vermeulen kreeg bij het samenstellen van zijn bundel De muziek dat wonder – een gevoel van dankbaarheid dat hij in zijn inleiding als volgt onder woorden bracht: "Nadat ik deze bladen geordend had, rees menigmaal de gedachte bij me op: Wat zijn wij bevoorrecht geweest die dat konden horen! Onder alle ervaringen van de aarde zou enkel de liefde kunnen wedijveren met goede muziek. Maar gelukkig, zij completeren elkaar. Zij vermeerderen zelfs elkaar."
 
Over Eduard van Beinum zijn twee biografieën voorhanden:
• Bart van Beinum in samenwerking met Ton Braas en Odilia Vermeulen, Eduard van Beinum – Over zijn leven en werk (Bussum:Thoth 2000)
(te koop via de website van Antiqbook)
• Truus de Leur, Eduard van Beinum 1900-1959. Musicus tussen musici (Bussum: Thoth 2004) (in de boekhandel, ISBN 978-90-6868-359-2)
 
Het Concertgebouworkest eert zijn derde chef-dirigent door het concert van vrijdag 17 april aan zijn nagedachtenis op te dragen. Het programma omvat onder andere de symfonische rapsodie Taras Bulba van Leoš Janáček, een werk dat in de jaren dertig door Van Beinum in Amsterdam werd geïntroduceerd.
 
O ja, ik vergeet nog bijna te melden dat het Nederlands Fonds voor de Podiumkunsten+ de Matthijs Vermeulen-prijs in ere heeft hersteld. Deze speciale muziekprijs voor Nederlandse componisten werd in 2004 voor het laatst uitgereikt aan Michel van der Aa. Tweejaarlijks wordt een geldprijs van 20.000 euro beschikbaar gesteld aan een in het Nederlandse muziekleven geïntegreerde componist, die naar het oordeel van een jury een bijzonder werk heeft gecomponeerd op het terrein van de hedendaagse muziek. De prijs wordt uitgereikt aan een componist voor een recent werk dat een kwalitatief bijzondere, actuele en grensoverschrijdende bijdrage levert aan de artistieke ontwikkeling van de hedendaagse muziekpraktijk.
Dit verheugende bericht mag ik u op het feest van de wederopstanding niet onthouden.

 
e-magazine nr. 16 (maart 2009)
VERMEULEN EN BACHS MATTHÄUS PASSION  
Elk jaar in de lente gonst dat geluid op uit de diepte, als de grondtoon der aarde. Het is de lage e waarmee de Matthaeus-Passie begint, en zodra ik haar denk - die noot - verschijnt de klank in mijn oor en gaat bewegen. Hij vergezelt mij sinds ik mij herinner. Eerst is hij een donker en dof gedreun op het ritme lang-kort van de antieke trocheus, de fundamentele voet waarmee de melodie gescandeerd wordt als met het beklemde bonzen van een ongeruste hartslag. Daaroverheen ontwindt zich, eveneens uit de laagte, een klagend motief, verdeeld over onderscheiden instrumentale stemmen, die onophoudelijk modulerend rondom de oude eolische volkswijs, alsof zij niet weten naar waar zich te richten, elkaar vragend antwoorden, wringend, stenend, en tezamen een lange zucht slaken die voortdurend dringender omhoog stijgt tot zover de smart hen drijft en tot zover het kan. Dan verlaat de dreunende grondklank opeens zijn plaats en klimt met cyclopische passen de zingende instrumenten achterna over een jakobsladder zonder einde, die in het eindeloze afbreekt. Hij hervat zijn gebons als het gedrum van een sombere trom. Het verstrengelde motief klaagt voort in het bereikte zenith, aldoor kreunend, aldoor schuifelend langs een toon, botsend tegen een toon, aldoor zoekend naar een houvast wijl alles wankelt, waar niets is dan deernis, vrees en huiverende ontsteltenis.
Hier zet het koor in, als ware het verwittigd door het geschrei dat uit de dingen opklinkt.
De dochteren Sions vernamen de klacht die aandruiste van beneden tot boven. Met de kreet van een gebroken akkoord dat zij uit de eigen boezem slaan als op een klavier, met een kreet, die terstond zwervende, zoekende melodie wordt, schudden zij de Gelovigen wakker en roepen hen bijeen naar de plek waar een handeling die hen ontzint, gebeuren gaat. Zij zijn vervaard en verward, onstuimig en dwingend. Hun viervoudige zang stroomt aaneengeschakeld door, houdt nergens een seconde halt om adem te scheppen. Wederom schrijden de bassen met cyclopische stappen de treden op van twee toonladders, alsof zij bergen bestijgen om afgronden te openen, en schreeuwen met de overigen 'kommt, ihr Töchter, helft mir klagen.'
 
Zo begint het artikel waarmee Matthijs Vermeulen in april 1955 zijn klankvisioen schilderde van het openingskoor van de Matthäus Passion. Het is een indringend beeld van wat hij las in Bachs partituur, maar wat hij miste in de uitvoeringen van die jaren. Het zat 'm niet in de vertolking van descriptieve gedeelten als 'Sind Blitze und Donner'; daar wisten de dirigenten wel raad mee. Maar het ging om de interpretatie van niet alleen het openingskoor, maar ook de recitatieven, de koralen. Vermeulen had fundamentele kritiek:
Een traditie verlamde tot automatisme. Wat verwekt was als levend lichaam en bezield wezen, werd mooi aangeklede, opgesierde mummie. De werkelijkheid verdween achter façade en decor. Men onderhoudt dat keurig, naarmate het de middelen veroorloven. Men poetst wat op, men verft wat bij, men schaaft, men vijlt een beetje af. Men doet dat met een zeker animo, met zorg, met welgezindheid. Men is musicus, men is artist après tout. Maar men bemerkt niet dat men langs de essentie heen doolt zonder haar te raken, zonder zelfs haar te bespeuren.
Hoewel ik onder het analyseren van zulk een compleet onbegrepen geworden Proloog voortdurend het vreemde gevoel heb feiten aan te stippen, ontdekkingen te doen die sinds tweehonderd jaar bekend zijn, en waarover ieder zich ruimschoots acht ingelicht, zou ik de ganse Matthaeus-Passie – de hoofdrollen van Evangelist en Christus, de soli, de koren en de koralen – willen ontleden met een gelijke methodische realiteitszin.
Voor wie? Voor een of ander jong dirigent die er nog niet is en die geen kopie of geen variant wenst te leveren van een voorganger. Voor een nieuwe tijd, die er nog niet is en waarin de muziek wederom de taal zal worden van het hart der harten. Deze Proloog volsta; de rest zou overbodig werk zijn. Wie oren heeft om te horen en ogen om te zien, kan het zonder verdere aanwijzing.
Het interessante artikel kunt u in zijn geheel lezen; het is opgenomen in De muziek dat wonder (zie rubriek boekpublicaties).
 
Het was bepaald niet de eerste keer dat Vermeulen aandacht vroeg voor dit onderwerp. Na de uitvoering van de Matthäus-Passion op Palmzondag 29 maart 1953 legde hij een pakket desiderata op tafel. In een stuk onder de veelzeggende titel 'De plichten jegens Bach' drong hij aan op ingrijpende maatregelen ten aanzien van de grootte en kwaliteit van het Toonkunst-koor. Daardoor zou het mogelijk zijn het openingsgedeelte voor het eerst te horen "in het juiste tempo en met het juiste accent: niet als een moedeloos wiegend gezang van mensen die verdrietig bij de pakken neerzitten, maar als een waarlijk geklaag der Dochters van Sion, ontzind over de tragedie die gebeuren gaat." Tevens riep hij Eduard van Beinum op tot betere coaching van een aantal jonge solisten die wel een fraai geluid produceerden maar muzikaal gezien nog dolende waren "als de kat in een vreemd pakhuis". Ook leek het hem belangrijk uit te kijken naar een goede opvolger van de duidelijk ouder geworden Laurens Bogtman. Deze probeerde met een zalvende plechtigheid de feilen van zijn stem te verbloemen, waardoor zijn interpretatie, aldus Vermeulen, in niets herinnerde "aan de echte, levende Christus, die met een zweep de wisselaars uit de tempel joeg, die een vijgenboom vervloekte omdat hij buiten zijn jaargetijde geen vruchten droeg, de menselijke Christus, die met een kreet van verlatenheid en wanhoop stierf aan het kruis."
Alleen de altaria's door Annie Hermes verdienden in Vermeulens ogen de epitheta subliem en overstelpend. Die zuivere schoonheid, de oprechtheid van innerlijk medeleven zag hij graag uitgebreid over de hele passie. Hij achtte Van Beinum in staat dat tot stand te brengen, maar dan moest er nog veel gebeuren: "Want hoewel menig onderdeel bewondering verdient, het geheel bleef onvoltooid. Zoals nu Van Beinums Matthaeus-Passie is, kan zij noch hier noch elders strekken tot voorbeeld. Daar ligt zijn plicht. Dit verlangen wij van een genie."
         Deze aansporing maakt nog eens duidelijk dat er voor Vermeulen geen groter dirigent bestond dan Van Beinum. Misschien waren Vermeulens verwachtingen wel te hoog gespannen bij de Matthäus-Passion van 1955. De stijl was, zo is uit de bespreking in verschillende kranten te lezen, gevestigd. 'Wahrlich, dieser ist Gottes Sohn gewesen' had dezelfde overtuigingskracht als het jaar daarvoor, 'Sind Blitze und Donner' was weer fel en dramatisch en de basaria 'Mache dich mein Herze rein' klonk vol overgave en teer. Volgens een van de recensenten echter kreeg het openingskoor in Van Beinums interpretatie steeds meer het karakter van een gelukzalige barcarolle en ontbrak iedere scherpte van een klaagzang eraan. De kleur van 'Kommt, ihr Töchter' beviel ook Matthijs Vermeulen dat jaar minder dan tevoren; voor hem was het, zoals we zagen, aanleiding met zijn artikel een schildering te geven van het dramatisch karakter van de muziek waarmee Bach het lijdensverhaal inleidt. Waarschijnlijk hebben zij er wel eens over gesproken, wanneer Van Beinum voor een gedachtenwisseling bij Vermeulen aanwipte, wat hij zo af en toe deed.
         Het volgende jaar is het Eduard van Beinum gelukt een cast samen te stellen waarmee een eenheid in visie te realiseren was. De instrumentale solisten van het Concertgebouw waren weergaloos mooi en de continuogroep leverde buitengewoon overtuigend spel. En last but not least: "Voor de eerste maal ook waren alle koren organisch ingeschakeld in de actie van het drama, en elk koor, elk koraal (geen enkel uitgezonderd) bewees uit zichzelf de dramaturgische logica van zijn verschijnen. Voor de eerste maal accordeerden alle tempi onderling, het ene normaal voortvloeiend uit het andere, niettegenstaande hun menigvuldige verschillendheid. Nergens was er een hiaat." Vermeulen was lyrisch – zie de recensie hieronder – en zijn conclusie luidde: "De tijd is gekomen om de Matthaeus-Passie, zoals Eduard van Beinum haar innerlijk gezien heeft, te bestendigen door de grammofoon."
         Dat is niet gebeurd, en helaas is er ook geen radioband van dat jaar overgebleven.
 
Als u meer wilt lezen van wat Matthijs Vermeulen over Bach heeft geschreven, dan verwijs ik u naar De muziek dat wonder (integraal in de rubriek boekpublicaties). Ook het vierde stuk in die bundel, getiteld Zijn erfdeel, over Bach.
 
concertaankondiging 
Op vrijdag 13 maart wordt Vermeulens Strijktrio gespeeld door twee eindexamenstudenten en een docent van het Conservatorium van Amsterdam: Cécile Gouder de Beauregard, viool; Judith Wijzenbeek, altviool; Doris Hochscheid, cello. Ook Diepenbrocks Berceuse voor mezzosopraan, cello en piano wordt dan uitgevoerd, met Frans van Ruth aan de piano.
Locatie: Conservatorium van Amsterdam, Sweelinckzaal, aanvang: 19.30 uur.

 
e-nieuwsbrief nr. 15 (8 februari 2009)
VERMEULENS KINDER- EN JEUGDJAREN IN HELMOND
 
Op deze achtste februari, Vermeulens geboortedag, wil ik graag de schijnwerper richten op de plek waar hij ter wereld kwam en waar hij opgroeide: Helmond. Dat hij daar geboren en getogen is, is louter te danken aan de toevallige omstandigheid dat zijn beide grootvaders – de een afkomstig uit België, de ander uit Duitsland – er waren neergestreken vanwege de goede vooruitzichten die de plaats destijds te bieden had.
In het midden van de negentiende eeuw beleefde het stadje aan de rand van de doodarme Peel plotseling een sterke groei, door de industrialisatie van weverijen en de vestiging van staalfabrieken die goed floreerden. De imperia van Fentener van Vlissingen en Begemann ontstonden hier en ook andere ondernemingen (margarine, cacao, tabak) bloeiden dankzij een gunstige aan- en afvoer met stoomboot en trekschuit over de Zuid-Willemsvaart, die in 1826 in gebruik was genomen. Industrie en bevolkingsaanwas tezamen zorgden voor een flinke bouwactiviteit, niet alleen van fabriekshallen, kantoren en woonhuizen, maar ook van scholen en instellingen.
Vermeulens grootvader van vaders kant, Johannes Matthias van der Meulen, was een Belgisch timmerman die rond 1850 zijn land verliet om de militaire dienst te ontlopen. In Helmond vond hij emplooi en trouwde er met de dochter van een verarmde familie. Zij kregen acht kinderen, maar Jan stierf op 42-jarige leeftijd aan een longontsteking, zijn gezin achterlatend in kommervolle omstandigheden. Zo werd Vermeulens vader Frans (Franciscus Jacobus van der Meulen, geboren 26 september 1857) op zijn twaalfde reeds uit werken gestuurd. Hij koos het ambacht van smid.
Van moeders kant was Vermeulens grootvader een uit Westfalen afkomstige herbergier, genaamd Christiaan Wonderval, die in Helmond was beland en er huwde. Toen er vier kinderen waren, stierf de nog jonge kostwinner als slachtoffer van een cholera-epidemie. Volgens het gebruik van die dagen werd het complete huisraad op straat gezet en verbrand, zonder vergoeding, zodat het gezin binnen een etmaal verviel van de redelijke welstand die het cafébedrijf had gebracht, tot bittere armoede.
Vanaf haar zevende jaar heeft Vermeulens moeder, Maria Adriana Wonderval (geboren 5 september 1859), haar brood verdiend, aanvankelijk in een weverij waar de patroon gretig klappen uitdeelde, later als dienstbode en kindermeisje. Naar school gaan zat er voor haar nooit in, maar zij leerde zichzelf lezen, schrijven en rekenen. Op 3 mei 1887 trad zij in het huwelijk met Frans van der Meulen. Kort erna raakte zij in verwachting van hun eerste kind.
Dan begint op 8 februari 1888 het verhaal van Vermeulens leven. Het vervolg, tot aan zijn vertrek op 19-jarige leeftijd naar Amsterdam, kunt u lezen in dit pdf-document, dat voorzien is van foto's van het Helmond rond 1900.
 
Helmond nu
Tegenwoordig is Helmond een flinke stad, met een levendig cultureel leven. De gemeente zette zich in de jaren zeventig van de afgelopen eeuw op de kaart met (muziek)theater 't Speelhuis plus een aantal paalwoningen, een gedurfde creatie van architect Piet Blom. Sinds de jaren negentig staat het industrieel erfgoed volop in de belangstelling. Op de schrijversavonden van het Literair Café komen geregeld tussen de 500 en 600 geïnteresseerden af. En in welk stadscentrum in Nederland neemt beeldende kunst zo'n opvallende plek in de openbare ruimte in als in Helmond? Veel daarvan is tot stand gekomen dankzij het Geukersfonds, een initiatief van oud-burgemeester mr Jac. Geukers.
Nadat Matthijs Vermeulen een straat naar zich vernoemd kreeg en in 1988 zijn 100ste geboortedag gevierd werd met een uitvoering van zijn Tweede Symfonie, is er in november 2006 een borstbeeld van hem geplaatst op het pleintje voor 't Speelhuis. De bronzen buste werd gemaakt door Trudie Broos en op 15 november 2006 onthuld door Vermeulens oudste zoon Roland (geboren 1920). In 't Speelhuis werden werken van Vermeulen uitgevoerd, alsmede van Alphons Stallaert van wie eveneens een borstbeeld werd gepresenteerd.
 Het Helmond van Vermeulens kinder- en jeugdjaren is verdwenen. De H. Hart-kerk is afgebroken, de Traverse – een stukje snelweg – doorsnijdt de schil van het centrum. Maar hoe het was, is te zien op Kie(k) naw (Helmond gefotografeerd), de grootste historische fototentoonstelling ooit over Helmond. De expositie is tot en met 1 juni 2009 te zien in de Boscotondohal van het Gemeentemuseum Helmond.
Antwoord wordt er gegeven over vragen als: 'Hoe zag de markt er vroeger uit? En weet je nog, de loopbrug over het kanaal? Hoe werd carnaval gevierd? Wie was ook alweer die pastoor en waar stond die fabriek?'
En misschien is de jonge Matthijs van der Meulen ook nog op een foto te ontdekken.

 
e-nieuwsbrief nr. 14 (31 december 2008)
DE MUZIEK DAT WONDER
 
Op de valreep nog een terugblik op een memorabel gebeuren van 50 jaar geleden. In 1958 verscheen in de reeks Ooievaars van uitgeverij Bert Bakker – in pocketformaat – de bundel De muziek dat wonder, met de ondertitel 'een keuze uit herinneringen'. Vermeulen heeft daarin een selectie uitgebracht van de artikelen die hij voor De Groene Amsterdammer schreef in de periode 1946-1956. De stukken behoren tot de allermooiste die in de Nederlandse taal over muziek zijn gepubliceerd.
Inderdaad gaat het veelal om herinneringen die worden opgeroepen: de verpletterende indruk die Mahlers Zesde Symfonie maakte in de interpretatie van Eduard van Beinum met het Concertgebouworkest, en de nieuwe betekenis die Van Beinum aan Das Lied von der Erde gaf; of de gevoelens van gelukzaligheid die aan 'het mirakel Mozart' te danken zijn, zoals in het Andante van de Jupiter-symfonie, "een onverwelkbare liefdezang, op een veilige plek onder de sterren, nachtelijk omfloerst, met het gewoel van de wereld uit een wemelende diepte, dat gedempt aanklotst als een verre zee". In een ander stuk, 'De zang der eeuwen', spreekt Vermeulen zijn bewondering uit voor Josquin des Prez. Diens Missa Pange lingua noemt hij een "onbeschrijflijk kostbare getuigenis van een der edelste en roerendste intelligenties die zich in muziek hebben geuit".
Ook tijdgenoten komen aan bod. In 'Afscheid van Willem Pijper' memoreert Vermeulen de jaren van hun vriendschap:
"Het langzame gezang uit zijn eerste strijkkwartet, dat in het dodenhuis van Zorgvlied achter een grijzige voorhang opklonk naar de baar, waar hij lag onder rode en witte bloemen, en waar wij hem vaarwel zegden, dat edele, eenvoudige gezang, nodigend tot ontroering met de innigheid van een oud gebed, van een eeuwenoude klacht, ontsloot een horizon, wijd als de einders van het land zonder dimensie waarheen hij geroepen werd. Zo was hij geweest in zijn vroege jeugd. In de periode van zijn begin. Een jonge man, bijna een knaap nog, toen ik hem leerde kennen, met een goed, een gewillig, een vertrouwend, een gepassioneerd hart, een menselijk hart, natuurlijke resonator voor de vreugden of de smarten van mensen en dingen, een hart gelijk aan alle andere harten uit welke de muziek ontstond sinds de eerste toon werd opgetekend, nauwelijks drieduizend jaar geleden. Behalve sensitief en oprecht was hij zeer intelligent. Hij maakte uitstekende studies. In het zangerige, meedogende, contemplatieve, nu en dan extatisch verlangende andante uit dat strijkkwartet van zijn jonge tijd, hoort men geen maat die niet expressief en perfect geordend is."
 
De geselecteerde artikelen en de wijze waarop zij zijn gerangschikt, herbergt tevens Vermeulens poëtica, het normen-en-waarden-systeem waarmee hij de muziek van andere componisten beoordeelde, en waarop hij zijn eigen werken baseerde. Het bindende element van de stukken die in De muziek dat wonder zijn samengebracht, is: de macht der muziek. Die macht is halverwege de twintigste eeuw wetenschappelijk nog niet aantoonbaar, maar Vermeulen verwacht, zo schrijft hij in de inleiding, "dat een exacte theorie over 'de muziek dat wonder' weldra zal worden opgesteld, wanneer de psychologie in hetzelfde tempo de vorderingen blijft voortzetten die zij gedurende de laatste halve eeuw gemaakt heeft." Voor Vermeulen zelf is die macht der muziek wel altijd een realiteit geweest, berustend op "ondervindingen, die niet betwistbaar zijn".
            Hij neemt dan ook stelling tegen de heersende opvattingen over muziek, waarvan Stravinsky's dictum dat muziek niets zou kunnen uitdrukken, voor Vermeulen het summum van onzinnigheid betekent:
"Tegenwoordig echter ontkent men het geheim. Spitsvondige lieden beweren, decreteren zelfs dat het geheim niet langer bestaan màg, ook al was of al ware het vroeger mogelijk. Zij hebben verkondigd dat muziek niets kan uitdrukken, aandoeningloos moet zijn. Zij verbanden de psyche uit het rijk van de klank. Deze intellectualisten kloofden de menselijke natuur in tweeën; zij behielden de hersens, zij verwierpen het hart. Ik zou het hart, de psyche, willen bewaren […]."
Het is dan ook niet verwonderlijk dat er twee artikelen aan Stravinsky zijn gewijd. Vermeulen windt er geen doekjes om: "Wie in Scheveningen de première hoorde van Stravinsky's Orphée en twee dagen daarna de Orfeo van Gluck in Amsterdam, heeft een mooie reis kunnen maken door het domein der muzikale mogelijkheden, waar de ene componist niets doet met alles, terwijl de andere alles doet met niets." (openingsalinea van het artikel 'Tweeërlei Orpheus') En met het artikel 'De kunstvogel' verwijst Vermeulen Stravinsky's neoklassicisme naar de prullenbak. Daarmee is hij overigens een roepende in de woestijn gebleken.
            Eveneens twee artikelen, maar dan lyrisch geïntoneerd, besteedde Vermeulen aan Alphons Diepenbrock, die hij vroeger al eens zijn "maître spirituel" had genoemd. In oktober 1946 was Vermeulen bij de uitvoering van Diepenbrocks Te Deum. Dat werk had hij voor het laatst in 1919 gehoord, onder Diepenbrocks eigen leiding, ter viering van het beklinken van de wapenstilstand waarmee een einde aan de Eerste Wereldoorlog was gekomen. Destijds was het magisch geweest, maar nu was de uitwerking ook weer groots:
"Niets van de bloei en grote gloed waarin het voor 't eerst weerklonk verwelkte, niets van het vuur dat het in ons ontstak verminderde, en geen enkele van de geheime fouten, die auteurs soms verbergen achter praal, verkilde een vroegere adoratie tot illusie. Dit Te Deum dateert niet. Het is niet modern noch onmodern. Het is levend geboren muziek gelijk die welke overbleef van twintig of van tien eeuwen her. Zijn acht hoofdthema's en neventhema's bleven even onstuimig van aanroep en opvaart, even concies, lapidair van vorm, even onvergelijkbaar van oorspronkelijkheid en psychische draagwijdte als toen Diepenbrock ze vond. Hun lyrische en dramatische gradatie, hun onderlinge handeling is nog even krachtdadig als toen Diepenbrock ze met logisch inzicht en vervoering regelde. De orkestratie, die straalt en fonkelt in alle forse en zachte nuances van glans, kan getoetst worden aan ieder coloriet van een vroeger of later instrumentaal palet. Zij taande niet. Zij kreeg geen barsten of grauwe vlekken. Zij heeft geen confrontatie te duchten, met wie dan ook. En de innerlijke toon van deze muziek in elk van haar expressies bleef zodanig doordringend dat hij, wanneer men hem gehoord heeft, nog dagen lang in ons nazingt."
Het andere artikel over Diepenbrock betreft diens Lydische Nacht, een werk voor declamatie/zang en orkest. Het is later door Eduard Reeser omgewerkt tot symfonisch gedicht. In die vorm is het te beluisteren via deze link naar het archief van AVRO-klassiek (via de knop 'Windows breedband' – eventueel moet u gelijktijdig de alt-toets indrukken).
            Trouwens, dit jaar was het 100 jaar geleden dat Diepenbrock-specialist Eduard Reeser is geboren, namelijk op 23 maart 1908. Aan hem is in de afgelopen zomer een themaprogramma gewijd waarin zijn veelzijdige musicologische arbeid wordt belicht. U kunt het HIER beluisteren. Niet schrikken aan het begin – dan klinkt 'Wien Neerlands bloed door d'aderen vloeit', ons vroegere volkslied.
            De integrale tekst van de bundel De muziek dat wonder is te lezen in de rubriek boekpublicaties.

 
e-nieuwsbrief nr. 13 (30 november 2008)
DE KUNST OM GELUKKIGE MINUTEN OP TE ROEPEN
 
Vijftig jaar geleden, in deze tijd van het jaar, legde Matthijs Vermeulen de laatste hand aan zijn Zesde Symfonie. Op 5 november 1958 had hij de slotmaten van het werk genoteerd in de met potlood geschreven partituur. Meteen erna begon hij aan een netschrift in Oostindische inkt, geschikt voor fotografische reproductie. Zo'n netschrift van een symfonie is geen sinecure. Met een streng schema van acht à negen uren schrijven per dag haalde Vermeulen de eindstreep op 30 januari 1959.
Het was de novembermaand van 1956 dat Vermeulen aan de compositie begon. Nadat hij in het Holland Festival van dat jaar zijn Tweede Symfonie (bekroond in het Koningin Elisabeth Concours van 1953) had gehoord in de uitvoering door het Concertgebouworkest onder leiding van Eduard van Beinum, besloot hij radicaal te stoppen met het schrijven van artikelen voor De Groene Amsterdammer en de rest van zijn leven te wijden aan het componeren. Hij meldde zijn chef: "Ik ben het laatste kwartaal begonnen van mijn leven. Het is voor mij absoluut noodzakelijk om te weten wat er nog over is van de vent die in 1919 zijn Tweede Symfonie componeerde. Dat idee achtervolgt me dag en nacht, sinds drie jaar. Ik zie geen kans die innerlijke drang langer te onderdrukken."
Maar eerst moest er gezocht worden naar een ander onderkomen, omdat het pand aan de Herengracht waar Vermeulen met zijn vrouw Thea en hun dochtertje Odilia huisde, onbewoonbaar was verklaard. In Amsterdam bleek niets geschikt te vinden onder het zeer beperkte aanbod van het CBH (Centraal Bureau Huisvesting); piepende trams bij het nemen van een bocht of geluiden van een dichtslaande ophaalbrug in de directe omgeving zijn voor een componist erg afleidend. Uitkomst bood het vrijkomen van het buitenhuisje van de familie Diepenbrock in Laren (NH), aan de rand van het dorp. Op 1 november kon de verhuizing plaatsvinden.
         In de vrieskou van een prachtige morgen reed de verhuiswagen weg van de Herengracht en daarachter de familie in de 2CV van zoon Donald, die uit Parijs was overgekomen om te helpen. Op het Leidsebosje kreeg hij een klapband die hij zo snel wist te verwisselen, dat ze nog vóór de vrachtauto in Laren arriveerden. In haar dagboek schreef Thea dat de vleugel met zeven man door het trapgat naar boven werd gedragen, na verwijdering van de leuning. Om drie uur waren de kisten uitgepakt en tegen de avond was het hele huis ingericht. Die morgen had een telegram van Eduard Reeser het verheugende nieuws gebracht dat het Prins Bernhard Fonds tot subsidiëring van een nieuwe compositie had besloten. De stemming was zo goed en de verhuizing verliep zo voorspoedig dat Vermeulen dezelfde dag nog een melodie te binnen viel, die hij aanstonds noteerde.
Voor ondersteuning in het levensonderhoud (de AOW, in 1957 ingesteld 'onder Drees', gaf aanvankelijk een minimale uitkering) hadden verscheidene vrienden en kennissen een grotere of kleinere bijdrage toegezegd. De financiële zorgen waren definitief van de baan door de genereuze gift die een mecenas deed in de vorm van een spaarbankboekje met tweeduizend gulden, veel geld voor die tijd.
         Als uitgangspunt voor zijn Zesde Symfonie hanteerde Vermeulen een motief dat hem jaren geleden, toen hij juist terug in Nederland was, door zijn vrouw was gesuggereerd. Op een avond zaten zij te praten over muziek van de vijftiende en zestiende eeuw. Daarbij kwam Mattheus Pipelare ter sprake, een componist uit Zuid-Brabant naar wie Alphons Diepenbrock zijn pupil eens schertsend had vernoemd. Pipelare ondertekende met de eerste twee lettergrepen van zijn achternaam geschreven in letters gevolgd door la-re in noten. La en re zijn de voornaamste tonen van de dorische toonladder. Vandaar voerde het gesprek naar de melodische formule la-do-re, die in verschillende Gregoriaanse gezangen voorkomt (het Te Deum laudamus bijvoorbeeld begint ermee). Vermeulen en zijn vrouw hoorden die drie syllaben niet enkel als notennamen, maar tegelijk in hun Franse betekenis van l'adoré, het aanbedene, de aanbedene, dus in overdrachtelijke zin. Thea stelde voor: op die noten zou jij een stuk moeten componeren. Maar Matthijs schoof het idee resoluut terzijde; hij dacht aan Berlioz, die volgens zijn memoires 's nachts een prachtig symfonisch thema kreeg ingevallen, het noteerde, maar het de volgende dag weer verscheurde en uit zijn geheugen wiste, omdat hij anders niet de recensies kon blijven maken, waarmee hij de kost verdiende.
         In de volgende jaren dook het gesprek over die drie noten af en toe weer in Vermeulens geheugen op. Een doorbraak kwam tijdens een treinreis naar Den Haag, op weg naar een concert tijdens het Holland Festival (destijds ook in het Kurhaus in Scheveningen). Het moment van inspiratie legde hij later precies vast:
"En terwijl ik in de avondzon van eind juni plotseling een wonderbaarlijk rozig varkentje door de wei zag rennen, helemaal alleen, en met een exuberant plezier alsof het zich gevleugeld voelde, kreeg ik een gewaarwording, alsof er in mijn binnenste een gordijn openging dat mij tot dan toe gescheiden had van een zeker geluid. Ik hoorde iets alsof er iets begon. Ik hoorde het begin van een onderwerp, dat zich in mijn herinnering grifte."
In Laren leidde Vermeulen een leven met hetzelfde regelmatige patroon als in de oorlogsjaren in Frankrijk toen hij aan zijn Vierde en Vijfde Symfonie werkte: 's ochtends componeren, 's middags een flinke wandeling maken over de hei in de omgeving van het huis en 's avonds lezen. Met zijn Zesde Symfonie wilde Vermeulen het geluk bezingen op deze aarde te wonen. Voortdurend speelt in de melodieën van het werk het la-do-re motief een rol, nu eens aan het begin, dan weer aan het einde, telkens in nieuwe varianten. Soms klinken de tonen in omgekeerde volgorde, of zijn de onderlinge intervallen vergroot of verkleind. Overduidelijk is het motief bijvoorbeeld te horen in de fanfares die tegen het eind van het tweede deel opduiken en waarin Vermeulen een ingenieuze dubbele canontechniek toepast.
         Ook is het motief op allerlei manieren in de samenklanken verwerkt, onopvallend voor het oor, maar steeds aanwezig met zijn symbolische lading. Dat is direct al het geval in de langzame inleiding waar de bastonen van de klankvelden die het aura vormen van een dialoog tussen fluit en xylofoon, bestaan uit de reeks gis-b-cis-d-f-g, dat wil zeggen tweemaal het la-do-re motief aaneengekoppeld (zie notenvoorbeeld onderaan deze nieuwsbrief). Die magische opening van het werk kunt u op deze website beluisteren door op de pagina van de Zesde Symfonie de mp3-speler linksboven aan te klikken. Andere audio-fragmenten staan in de toelichting aangegeven met het luistericoontje.
         Vanaf het begin noemde Vermeulen de Zesde Symfonie Les minutes heureuses, naar de versregel "Je sais l'art d'évoquer les minutes heureuses" uit Le balcon, het gedicht van Baudelaire dat hij in 1944 op muziek had gezet.
         Tijdens het componeren had hij steeds het Concertgebouworkest voor ogen met zijn chefdirigent Eduard van Beinum. Op Oudejaarsdag 1958 kwam Van Beinum op bezoek om samen het nieuwe werk in manuscript door te lezen. Vermeulen schreef hier later over: "Uit menige zakelijke en scherpzinnige opmerking die hij maakte à l'improviste, kon ik wederom waarnemen welk een buitengewoon musicus en kunstenaar hij was." Op grond van die opmerkingen heeft Vermeulen alsnog een aantal wijzigingen in zijn partituur aangebracht. Het gesprek gaf hem een groot vertrouwen in de uitvoering van de symfonie – beide waren het erover eens dat het Holland Festival 1959 de gelegenheid bij uitstek daarvoor was – en niets tijdens het vertrouwelijke samenzijn liet vermoeden dat zij elkaar niet weer zouden zien. Op 13 april stierf Eduard van Beinum, op 58-jarige leeftijd, tijdens een repetitie met het orkest. Na het horen van de ongelukstijding was Vermeulen totaal ontredderd over het verlies van zijn dierbare vriend met wie hij zich in artistieke opvattingen sterk verbonden voelde.
         Het was het USO (Utrechts Stedelijk Orkest) onder leiding van Paul Hupperts dat nu de première van de Zesde Symfonie voor zijn rekening ging nemen, op concerten in Utrecht (25 en 26 november 1959) en Amsterdam (15 december). Er werd een radio-opname gemaakt door de KRO die op zondag 3 januari 1960 werd uitgezonden. Vermeulen zelf leidde het werk in, met een toespraak die op papier is overgeleverd. Zijn tekst, waarin hij tevens de basisprincipes van zijn eerdere werken benoemt, fungeert als toelichting op deze website.
 
Mocht u dezer dagen naarstig op zoek zijn naar een passend kadootje voor een muziek- en/of filmliefhebber (of voor uzelf), dan is de dvd van de film De laatste reis wellicht iets voor u.
 
En tenslotte nog een aanvulling op de vorige nieuwsbrief. De enige celliste die – net als Anner Bijlsma – beide cellosonates van Vermeulen en zijn strijktrio heeft gespeeld is Doris Hochscheid. Samen met Frans van Ruth heeft ze onlangs een kersverse cd uitgebracht met vier Nederlandse cellosonates, zie www.cellosonate.nl. Over kadotips gesproken…

 
e-nieuwsbrief nr. 12 (17 oktober 2008)
VIER MAAL CELLO IN VERMEULENS KAMERMUZIEK
 
Vermeulen heeft vijf kamermuziekwerken gecomponeerd. In vier daarvan – twee cellosonates, trio, kwartet – is de cello van de partij. Dat is veelvuldiger dan de viool, waarvoor hij de Sonate pour piano et violon schreef en die deel heeft aan het trio en het kwartet. Ook de piano komt in dit genre niet zo vaak aan bod als de cello.
Het bespelen van dit instrument heeft Vermeulen zich vanaf 1911 (op zijn 23ste dus) trachten eigen te maken, maar uit frustratie over gebrek aan dispositie is hij er al spoedig mee opgehouden.
         Liefde voor de cello heeft hij altijd gehad. En dat hij voor het instrument kon schrijven en alle registers in zijn composities wist te benutten, blijkt al uit de Eerste Symfonie (1912-1914). De celli zingen hun melodieën zowel in het lage register en middengebied als in de hoge regionen (voor de kenners: tot en met de gis van het tweegestreept octaaf).
         De Eerste Cellosonate (1918) is Vermeulens eerste kamermuziekwerk. Inspiratiebron was Debussy's cellosonate die tijdens een herdenkingsconcert (Debussy stierf op 25 maart 1918) in Amsterdam werd gespeeld door Thomas Canivez en Evert Cornelis. Debussy's stuk bood perspectieven aan de jonge generatie componisten, zo is in Vermeulens recensie te lezen: "Dat alles fantastisch nieuw is, wat Debussy ontwierp, tonen nog de laatste werken, welke hij kort voor zijn dood schreef. Want stel u slechts voor, hoe ieder componist ter wereld, wie ook, een violoncel-sonate zou concipiëren, of concipieerde, en vergelijk ze met die van Debussy, waar elke maat aanwijst, hoe een geniale geest bij een zo ouderwetse combinatie als piano en cello, dromen en wonderen dicht, mogelijkheden opent."
         Dromen en wonderen dichten, dat is wat Vermeulen zelf ook ambieerde bij het componeren van zijn Eerste Cellosonate. Het is hem gelukt: het werk kan gerekend worden tot de klassieken in de internationale literatuur voor cello en piano. Door de luisterfragmenten op de website kunt u zich ervan vergewissen.
         Aan zijn Tweede Cellosonate begon Vermeulen in het voorjaar van 1927, kort na de Parijse première van de Eerste Cellosonate, die door Editions Senart was uitgegeven. Nog diezelfde zomer legde hij, halverwege het eerste deel, de compositie terzijde, geheel in beslag genomen door de journalistieke arbeid voor het Soerabaiasch Handelsblad. Pas in januari 1937 nam hij de draad weer op en ruim anderhalf later, op 29 augustus 1938, bereikte hij de eindstreep. Toch is ook deze compositie een werk-uit-één-stuk; stilistisch valt er geen hiaat te bespeuren tussen de delen.
         Het preluderende begin is even mijmerend als dat van Vermeulens Eerste Cellosonate. Ingetogen, tastend. Maar de Tweede Cellosonate heeft tevens symfonische allure. Het thema van het tweede deel komt jubelend binnen. Regelmatig is er van pure drie- en vierstemmigheid sprake, zoals in de stevige passacaglia-achtige finale, waar de cello en de bas van de piano afwisselend 12-toonreeksen spelen. U kunt het beluisteren op de website.
 
Er is één cellist die beide cellosonates èn het strijktrio van Matthijs Vermeulen heeft gespeeld: Anner Bijlsma. Voor het in ontvangst nemen van het eerste exemplaar van de gedrukte uitgave van de Collected Chamber Music was hij dan ook de aangewezen persoon. Samen met Reinbert de Leeuw, Anners duopartner in de opnames die op langspeelplaat en later op cd zijn uitgebracht.
         Aanvankelijk zou de presentatie van de Collected Chamber Music plaatsvinden in de Amsterdamse Cellobiënnale van 2006, maar toen was de uitgave nog niet gereed. Nu werd zij op 3 februari 2008 gepresenteerd, voorafgaand aan het memorabele concert in het Muziekgebouw aan 't IJ ter gelegenheid van Vermeulens 120ste geboortedag. Anner moest evenwel verstek laten gaan wegens verblijf in het buitenland.
         Zijn toespraak had hij in 2006 al gereed. Via deze nieuwsbrief deelt hij zijn betoog graag met u. Kanttekeningen door ondergetekende waren hem zeer welkom; Anner houdt van discussie. U vindt woord en wederwoord in de bijlage.
Over één stelling zijn we het volkomen eens: "Wie éénmaal geconfronteerd werd met de juichende melodieën van Vermeulens Eerste Cellosonate (1918) zal nooit kunnen begrijpen waarom deze grote man der muzen niet door kunstminnend Nederland op handen wordt gedragen."
         Anner memoreert ook: "In deze nieuwe uitgave is één belangrijke stap gezet op het gebied van speelbaarheid. Ladingen onnodige hulp-kruizen, -mollen en -herstellingstekens zijn in de prullenbak verdwenen. Ze dienen nergens voor, maken de tekst maar onbegrijpbaar - lijken een beetje op de punten en komma's die een auteur, verliefd op z'n eigen tekst, in zijn eenzaamheid voor de zekerheid alsmaar weer toevoegt, en toch nog maar weer toevoegt..." (De vergelijking gaat niet op, aangezien punten en komma's in geschreven tekst de frasering raken, terwijl de – thans overbodige – waarschuwingsvoortekens daarop niet van invloed zijn. Trouwens, Vermeulen was bepaald niet de enige die rond 1920 deze notatie hanteerde, ook Schönberg deed dat.)
De potentiële luisteraar krijgt nog een advies van Anner: "De sonates zijn vol prachtige momenten, maar misschien zou het beter zijn voor een geïnteresseerde nieuwkomer om met het beluisteren van het strijktrio te beginnen […] geschreven in een chromatisch contrapunt dat tot het mooiste van de 20ste eeuw behoort."
Ook daarvan kunt u zich op de website vergewissen.
 
De cello staat centraal in de Amsterdamse Cellobiënnale waarvan de tweede editie morgen van start gaat in het Muziekgebouw aan 't IJ. Het gaat weer "gonzen van de cello’s, van de cellisten en van de celloliefhebbers" volgens de website. De internationale top van cellisten, onder wie – zoals bekend- veel Nederlanders, treedt er op in prachtige programma's. En, vijfmaal staat er een gesprek met Anner Bijlsma op de rol.
Van harte aanbevolen.

 
e-nieuwsbrief nr. 11 (23 september 2008)
VERMEULEN EN DIEPENBROCK
 
Deze keer is de aandacht gericht op Vermeulens belangrijkste leermeester, Alphons Diepenbrock. Aanleiding is de uitvoering op vrijdag 3 oktober aanstaande van Diepenbrocks symfonisch lied Im grossen Schweigen dat hij in 1905 componeerde op tekst van Friedrich Nietzsche. Neeme Järvi, warm pleitbezorger en eersteklas vertolker van Diepenbrocks muziek, wijdt zich met het Residentie Orkest aan dit magistrale werk. Solist is bas Geert Smits.
         In 1952 hoorde Matthijs Vermeulen het stuk voor het eerst uitgevoerd, want sinds de première in 1906 en een herhaling in 1907 was het nooit meer gegaan. Dirigent Eduard Flipse echter bleek flinke coupures te hebben gemaakt, die Vermeulens verontwaardiging wekten. In de pauze riep hij Flipse in de solistenkamer ter verantwoording en in zijn artikel 'Een hervonden muziek' (De Groene Amsterdammer) deed hij dat opnieuw. Het meningsverschil over de ingreep in Diepenbrocks partituur werd aangescherpt, doordat Wouter Paap in Mens en Melodie het voor de handelwijze van de dirigent opnam: "Eduard Flipse heeft, na zich als orkesttechnicus grondig in deze partituur verdiept te hebben, enkele kleine coupures aangebracht, en in de instrumentatie hier en daar iets geretoucheerd ter wille van het gave klankbeeld. Hij heeft dit met veel liefde, en allerminst uit misplaatste bemoeizucht gedaan, zonder twijfel handelende in de geest van de componist, die geen gelegenheid meer gehad heeft om zijn partituur na waarneming van het klankbeeld definitief te ijken."
         Daarop besloot Vermeulen verschillende aspecten uit te diepen (de coupures bij voorbeeld waren aanzienlijk in aantal en omvang) en een artikel in z'n geheel aan deze fundamentele kwestie te besteden. In 'Het eigendom van de componist' tikt hij Paap op de vingers:
"Elke dirigent heeft zijn eigen idee en zijn eigen mogelijkheden betreffende "het gave klankbeeld". Hij kan niet het flauwste bewijs leveren dat zijn persoonlijke opvatting van een "gave klank" overeenkomt met de klank welke de componist hoorde als dictaat van een innerlijke stem. Hoe dan ook, en zelfs al zouden wij menen dat de kunstenaar faalde: deze innerlijke stem moet prevaleren. Dat is het absoluut recht van de auteur die de verantwoording te dragen heeft welke hij wetend neemt. Niemand mag sollen met dit recht, want de gaven van het genie zouden ons daardoor kunnen ontglippen."
 
Het was ruim veertig jaar eerder dat Vermeulen het klankbeeld van een compositie van Diepenbrock uitgebreid had proberen weer te geven: in zijn bespreking van de première op 4 oktober 1910 van Diepenbrocks toneelmuziek bij Marsyas of "De betooverde bron" (op tekst van Balthazar Verhagen). Het stuk stond in het katholieke dagblad De Tijd, waar Matthijs van der Meulen, na het afleggen van een proeve van bekwaamheid in maart 1909, op 21-jarige leeftijd een vaste stek voor het nieuwe concertseizoen kreeg aangeboden.
         Het vak van muziekcriticus bood Vermeulen de ideale gelegenheid om kennis te maken met alles wat er op de voornaamste podia van het land (Amsterdam en Den Haag) aan muziek werd uitgevoerd. Het muziekleven van de hoofdstad vormde een studielaboratorium bij uitstek. Het stelde hem in staat om van verschillende stijlen en richtingen af te wegen welke betekenis ze voor zijn eigen ontwikkeling als componist zouden kunnen hebben. Het veelzijdige aanbod van die jaren – met premières van La Mer, Nocturnes en Ibéria, Mahlers Achtste Symfonie en Das Lied von der Erde, Moussorgsky's Nacht op de kale berg, Skrjabins Prométhée en, iets later, Schönbergs Fünf Orchesterstücke – was een goede leerschool. Later schreef hij daarover: "In mijn jeugd heb ik elk jaar onophoudelijk iets nieuws gehoord; dat nieuwe was van diverse kwaliteit, doch 't was iets nieuws!"
         Bij de uitvoeringen van Nederlandse werken trof Vermeulen aanvankelijk niet veel aan dat aan zijn criteria voldeed, totdat Diepenbrocks Marsyas-klanken hem in beroering brachten. De première betekende een openbaring en werd richtingbepalend voor Vermeulens verdere leven. Het lukte hem om in het donker stenografisch de thema's te noteren en een deel van de verzen. Naar aanleiding van zijn bespreking nodigde Diepenbrock de jonge recensent bij zich uit. Dit was het begin van een langdurige relatie. De 26 jaar oudere Diepenbrock werd Vermeulens mentor, zijn "maître spirituel". Zij hadden inspirerende gesprekken over de meest uiteenlopende onderwerpen: nieuwe maatschappelijke stromingen, moderne schilderkunst, literatuur, filologie, zelfs over sport, en vanzelfsprekend over muziek. Dankzij Diepenbrocks aanbeveling werd Vermeulen bij het progressieve weekblad De Amsterdammer aangesteld.
         Diepenbrock leende Vermeulen boeken en partituren. Hij becommentarieerde zijn artikelen, gaf adviezen en bronnenaanwijzingen voor het voeren van polemieken. Weliswaar noemde Vermeulen Diepenbrock zijn leraar, toch waren het geen orthodoxe compositielessen. Dikwijls gaven de gesprekken aanleiding tot illustratie in klank aan de Erard, door Diepenbrock bespeeld met een bijzonder toucher en pedaalgebruik dat orkestraal coloriet suggereerde.
         Regelmatig onderwerp van gesprek was Gustav Mahler, met wie Diepenbrock sinds 1903 (Mahlers eerste optreden met het Concertgebouworkest) bevriend was. Aanvankelijk stond Vermeulen onwennig tegenover het nieuwe idioom. Reeds enkele maanden na de kennismaking met Diepenbrock is in hetgeen hij over Mahlers muziek geschreven heeft, te merken dat hij volledig voor de schoonheid ervan gewonnen is.
         Ook over Debussy is vaak van gedachten gewisseld. In 1909 had zich bij Diepenbrock een kentering voltrokken in zijn waardering van Debussy's muziek. In dat jaar maakte hij een piano-uittreksel van de Prélude à l'après-midi d'un faune. In 1910 bestudeerde hij de partituur van Pelléas et Mélisande om zich de stijl en instrumentatie eigen te maken. Hij raakte er zo van vervuld, dat hij voor vrienden de hele opera voorspeelde.
         Diepenbrock was levendig geïnteresseerd in de muziek uit de Renaissance en volgde de ontwikkelingen van de uitvoeringspraktijk (door de koren van Antoon Averkamp, Hubert Cuypers en later ook Sem Dresden) op de voet. Zelf heeft hij enige malen met een groepje zangers in kleine kring een mis van Palestrina tot klinken gebracht. Het is dus geen toeval dat Vermeulen tijdens zijn leerjaren bij Alphons Diepenbrock een 'studie-kopie' gemaakt heeft van Palestrina's Missa Papae Marcelli. Deze kopie in moderne sleutels (afgeschreven van een editie uit 1895 in oude sleutels) is bewaard gebleven. Opvallend is dat Vermeulen de partituur vanaf het Sanctus geheel zonder maatstrepen noteerde. Het idee voor een notatievorm zonder maatstrepen is hem vermoedelijk ingegeven door het bestuderen van de Histoire de la Langue Musicale (1911) van de Franse theoreticus Maurice Emmanuel. Deze propageerde het weglaten van de maatstrepen in de transcriptie van zestiende-eeuwse muziek. Op zijn beurt was Emmanuel geïnspireerd door de Belgische musicoloog-componist-theoreticus François-Auguste Gévaert.
         Het vermijden van een maataccent, van de 'temps fort' die visueel opgeroepen wordt door de maatstreep, is een streven dat specifiek bij Franse schrijvers over muziek in die tijd naar voren kwam. Vincent d'Indy bood een tweede oplossing voor het transcriberen van polyfonie in het zestiende-eeuwse motet. In zijn Cours de composition musicale geeft hij partituurvoorbeelden, waarin hij de maatstrepen in de stemmen op verschillende momenten plaatst, naar gelang de melodische en tekstaccenten dat verlangen. Bij 'overbindingen' noteert hij soms gestippelde maatstrepen. Ook dit werk kende Vermeulen goed en hij vond er veel denkbeelden in die hem aanspraken. Uit de vele aantekeningen, aankruisingen en onderstrepingen blijkt hoe intensief hij het boek heeft bestudeerd. Vermeulen besprak het uitgebreid in oktober 1911.
         Vooral in het steeds meer benadrukken van de antithese tussen de 'Germaanse' en de 'Latijnse' geest in de kunsten is de invloed van Diepenbrock merkbaar. (Op grond van historische ontwikkelingen had deze zich een geprononceerde mening gevormd over Duits imperialisme in zowel politieke als culturele zaken.) Vermeulen bracht zijn lezerspubliek in contact met de denkbeelden van bovengenoemde Franse auteurs in grote beschouwelijke artikelen over de tegenstelling tussen modaliteit en tonaliteit en over een hernieuwde kijk op de ritmiek via de kennis van het ritme bij de Antieken. Later bundelde hij deze artikelen in De twee muzieken (1918), waarin hij polemisch zwaar geschut in stelling bracht. In de geselecteerde artikelen blijkt hoezeer hij bovengenoemde boeken stelde boven de vele theoretisch-leerstellige werken uit de Leipziger kringen rond Hugo Riemann. Diepenbrock en Vermeulen verwierpen "de stijl van het Leipziger Conservatorium". Later verwoordde Vermeulen zijn aversie als volgt (De Groene Amsterdammer, 18/10/1952):
          Voor de beginnelingen van toen, die progressief waren, bestond geen smadelijker, geen verachtelijker oefening dan de methode van deze Leipziger stijl, die de gewetenloosheid der muzikale middelen verheven had tot principe. Wij volgden een edeler ideaal. Wij kozen tot leermeesters Debussy, Romain Rolland, Vincent d'Indy, Diepenbrock, en tot gidsen de hoogste voorbeelden van een verleden, dat vandaag nog leeft. Het eerste en voornaamste dat zij onderwezen, was een artistiek geweten. Zij bedoelden daarmee: geen compromissen tegenover de intrinsieke, levenloze verbeeldingloosheid der Duitse dressuur, vertegenwoordigd, gesymboliseerd door het Conservatorium van Leipzig.
In de rubriek boekpublicaties (zie menu van de website) kunt u Vermeulens voorwoord en het eerste hoofdstuk lezen van De twee muzieken. Fasten your seatbelts…

 
e-nieuwsbrief nr. 10 (14 juli 2008)
VRIJHEID, GELIJKHEID EN BROEDERSCHAP
 
Vandaag is het, zoals bekend, de nationale feestdag van Frankrijk, Quatorze Juillet. Vanochtend vond – sous un ciel bleu – op de Champs-Elysées het traditionele défilé plaats, afgenomen door de Président de la République die ditmaal vele staatshoofden naast zich had uit de landen rond de Middellandse Zee. Indrukwekkend was het voorlezen van de Droits de l’homme, ten overstaan van mensen die het met die mensenrechten totnogtoe niet zo nauw nemen. En wat mij bijzonder raakte was het zingen, uit volle borst en uit het hoofd, van Alle Menschen werden Brüder uit Beethovens Negende Symfonie, op Franse tekst.
         Dit herinnerde me aan een artikel dat Matthijs Vermeulen begin 1932 schreef voor het Soerabaisch Handelsblad, waarvan hij sinds 1926 Parijs’ correspondent was. Hij meldde daarin dat een Franse vertaling was uitgekomen van een boek met de alarmerende titel Morgen wieder Krieg, "terwijl wij een kerstboom uitzochten om de nacht te herdenken, schoner dan de dagen, waarin de eerste vredestijding verkondigd werd, en terwijl de kinderen op school het liedje zongen: Oh vert sapin!, wat een vertaling is van O Tannenbaum!". Op dit gegeven ging hij verder: "Gij wist misschien niet, dat dit van oudsher Duits-nationale gezang inheems is in Frankrijk? Ik ook niet, tot mijn kinderen het mij kwamen afdraaien in de Franse tekst. Ik moet bekennen dat het mij een kleine schok gaf. Een poosje later zongen zij Alle Menschen werden Brüder uit Beethovens Negende op de woorden:
         Plus de fratricides luttes,
         Plus de larmes, plus de sang,
         Il s'élève un chant de flûte,
         Calme et doux le soir descend.
Men heeft er geen idee van, welke indruk het maakt dit profetisch gezang te horen klinken uit de klare kinderstemmen van een Franse lagere school. Ik voor mij stond ervan bewogen als toen ik de melodie voor de eerste keer hoorde met orkest en koor. Waarom leren niet alle kinderen der aarde deze Beethovense hymne als het volkslied der toekomst?"
De Franse nationale feestdag heeft meerdere raakvlakken met Vermeulen. Hij heeft dikwijls de garde républicaine haar marsen horen spelen, met dat specifieke coloriet wat hem dierbaar was en wat hij verscheidene keren n/roemde in zijn Parijse kronieken. Vandaag was ook de cavalerie van de republikeinse garde aanwezig, met trompetters en paukenisten te paard. Hun marsen zijn aanzienlijk sneller, passend bij de energieke tred van de paarden.
Maar Vermeulen is ook getuige geweest van een dramatische gebeurtenis: de fatale afloop van een grote betoging op 6 februari 1934 tegen het regeringsbeleid. Op de Place de la Concorde waren honderdduizenden betogers samengekomen uit alle lagen van de bevolking, daartoe opgeroepen door partijen van zowel links als rechts. Oudcombattanten, reserve-officieren, studenten, artsen, rechtbankmedewerkers, patroons en bedienden, middenstanders, een deel van de Parijse gemeenteraad, oud en jong. Toen deze mensenmassa zich achter een spandoek met de tekst 'Nous entendons que la France vive dans l'honneur et la propreté' in beweging zette in de richting van de vergaderende Kamer onder het zingen van de Marseillaise en 'Ça ira! ça ira! Les députés à la lanterne', werd zonder waarschuwing vooraf het vuur op de menigte geopend en ging de Garde Républicaine resoluut in de aanval met sabels en revolvers. Vermeulens verslag: "Hakkend en schietend renden zij in voortdurend ruimere cirkels over het plein. Gardisten te voet wierpen zich op de gewonden die probeerden op te staan en beukten tot ze bezwijmden. Toen het plein was "schoongeveegd" chargeerde de Garde nog de kleine groepjes, die gewonden poogden weg te dragen. Er is zelfs gechargeerd door vrachtauto's en men raapte een dode op met een hoofd plat als struif." Daags na de slag deed de regering het voorkomen alsof de betoging een complot tegen de staat behelsde, wat Vermeulen als een aperte leugen betitelde, daar de betogers naar zijn inschatting geen enkel kwaad in de zin hadden en ongewapend waren.
 
Wat vandaag herdacht wordt is de bestorming, op 14 juli 1789, van de Bastille-gevangenis door het volk en de bevrijding van de gevangenen, en daarmee het begin van de Franse revolutie. Het devies werd: liberté, égalité et fraternité. In de grondwet van 1848 is dat principe vastgelegd als basis van de staatsinrichting. Op menig openbaar gebouw zien we die woorden prijken.
Matthijs Vermeulen had vrijheid, gelijkheid en broederschap hoog in het vaandel staan. Een uitspraak als de volgende (genoteerd in januari 1945) illustreert dat:
"Ik had gaarne geleefd in een maatschappij waar de bouwmeester der kathedraal een gelijk salaris ontvangt als de metselaar en de steenklopper, waar elke menselijke werkzaamheid beloond wordt met gelijke munt, de minister en de dienstbode, de bankier en de putjesschepper. Ieder zou zijn eigen impuls volgen, zonder andere overwegingen. De mens zou enkel betekenen door zijn innerlijk, door zijn echtheid."
Ook in zijn componeren hanteerde Vermeulen deze principes. Zo schreef hij in januari 1944, werkend aan zijn Vijfde Symfonie:
"Ik heb me altijd een orkest gedacht dat een soort van elyzeese samenleving zou vormen. De spelers worden in een muzikaal geval geplaatst en ieder hunner die in aanmerking komt om het te interpreteren, beschouwt het van zijn standpunt, van uit zijn particuliere gezichtshoek, maar, over 't algemeen, met een zekere goede wil tot eenheid, en, over 't algemeen, bewogen door dezelfde roerselen. Maar altijd drukt ieder der spelers zijn persoonlijke visie uit in een gegeven situatie. [...] Boven alles (uitgezonderd de hogere centrale eenheid) boven alles gaat zijn persoonlijkheid. [...] Er staat niemand boven hem, niemand onder hem. Hij verschilt van zijn nabuur alleen in timbre en in kleur. Allen werken mee in dezelfde lijn naar hetzelfde doel, maar allen werken mee volgens hun eigenste natuur. Het enige waarnaar zij zich voegen, waaraan zij zich onderwerpen is de leidende gedachte."
 
Deze uitspraken zijn te vinden op de citaten-pagina van de Vermeulen-website.
Aangaande het onderwerp 'vrijheid, gelijkheid en broederschap' zijn nog twee artikelen te vermelden, waarin Vermeulen uiteenzette hoe hij over het genre strijkkwartet dacht en wat de aantrekkingskracht van het medium voor hem uitmaakte.
 "Het kwartet," zo schreef hij in februari 1954 in De Groene Amsterdammer, "is een gemenebest in het klein, een soort van volmaakte samenleving in ideale broederschap. Het ontstond tezelfder tijd toen de subjectief-expressieve, individualistische muziek geboren werd. Te midden der eeuw van Jean-Jacques Rousseau, de grote bouwmeester van de toekomst, waar ieder mens een volledig persoon zal zijn, gelijkelijk vrij in gezamenlijke harmonie, met eendere rechten, eendere plichten. Het kwartet is van zulk een gemeenschap de eenvoudigste voorafbeelding en verwezenlijking. Eveneens de duidelijkste, de overtuigendste, de veeleisendste, wanneer de volkomenheid bereikt wordt. Elke speler staat in dat broederlijk verband geheel op zichzelf. Met al zijn hoedanigheden is hij onmiddellijk en onophoudelijk waarneembaar. Alles wat hij te spelen heeft moet onbetwijfelbaar klinken, zelfs de simpelste toon, want wij kunnen hem overal controleren tot in zijn geringste schommelingen, en niets is dikwijls moeilijker dan wat gemakkelijk schijnt bij het maken van een klank, die doorzichtig is als glas."
Drie maanden later beschreef Vermeulen de klank van het strijkkwartet aldus:
"Hij is wisselender dan een licht dat in wemelend water spiegelt. Hij is altijd dezelfde en onophoudelijk miljoen maal anders. Beweeglijker dan een vlam. Doorzichtiger dan de druppel dauw in een spinneweb, dan de regenboog boven een sproeiende fontein. Insinuerender en penetranter dan het fluïdum van de magnetiseur. De hoogste graad van dichtheid en luchtiger dan het stuifmeel der bloemen. De concreetste en tegelijk de abstractste der klanken, de subjectiefste en de objectiefste, de menselijkste en de bovenmenselijkste. Beperkt in de ruimte van zijn omvang, onbegrensd in zijn alzijdige uitstraling. Nog meer. Even persoonlijk rakend als de zangstem, en gedepersonaliseerd, gedesincarneerd door het instrumentale. Vier solisten, maar nergens een solo, ook niet wanneer een der vier alleen speelt. In geen enkele instrumentengroep, niet in het koper, niet in het hout, en zelfs niet in de vier mensenstemmen, ontplooit het geluid zich vanaf de basis tot aan de uiterste regioon in zo onmerkbaar gelijkmatige lijnen van geleidelijkheid, zachter in elkander vervloeiend dan de tinten van het paarlemoer of van de hals ener duif. Dat zijn te samen de redenen waarom men naar een strijkkwartet kan luisteren met die hemelsblauw-kalme sensatie van evenwicht, van rustigheid, alsof men veilig thuis is, in een droomhuis, en met een horizon waar de betoverendste emanaties op-en-aan zweven zonder ooit te worden verstoord, terwijl men zelf niet zwaarder weegt dan het zaadpluimpje van een distel."
Wat Vermeulen als toelichting op zijn eigen Strijkkwartet schreef, kunt u lezen op de website, waar u ook verscheidene luisterfragmenten kunt beluisteren.
         Veel pagina’s van de website zijn ook in het Engels, Duits en Frans voorhanden. Misschien wilt u uw vrienden en kennissen in het buitenland erop wijzen? Bij voorbaat dank.

  
e-nieuwsbrief nr. 9 (21 mei 2008)
EN TENSLOTTE: VERMEULENS VIJFDE EN ZESDE SYMFONIE OP RADIO4
 
Niet alleen Vermeulens Derde Symfonie is door Eduard van Beinum in première gegeven, ook de Vijfde Symfonie heeft hij ten doop gehouden met het Concertgebouworkest. Lag er tussen voltooiing en uitvoering van de Derde Symfonie een periode van 17 jaar, bij de Vijfde Symfonie was de tijdspanne teruggebracht naar 4½ jaar. Dat op zich was een gunstige ontwikkeling. Maar de aanloop naar de concerten van 12 en 13 oktober 1949 is zeer moeizaam en stroef geweest.
Het orkest was voor een deel anti-Vermeulen: een flink aantal spelers was niet gediend van de kritische houding die hij in zijn artikelen De Groene Amsterdammer etaleerde jegens het beleid van artistiek directeur Rudolf Mengelberg, culminerend in de rel van najaar 1947 rond de uitvoering van Metamorphosen van Richard Strauss. De gemoederen waren toen zeer verhit.
Tijdens de eerste repetitie werkten deze spelers bepaald niet mee, terwijl de technische problemen (veel partijen zijn exceptioneel moeilijk, zoals Van Beinum in een interview aangaf) al aanzienlijk waren. Achteraf gezien zal de matige kwaliteit van het orkestmateriaal (de partijen die de spelers voor zich op de lessenaar hebben staan) ook een grote rol hebben gespeeld: de vellen waren vol beschreven met teveel balken, waarvan de noten onderling bijna op elkaar botsten, en vooral in de strijkerspartijen was er geen duidelijk onderscheid te zien tussen kruizen en herstellingstekens. Toen de editores van de gedrukte editie van 1997 (Odilia Vermeulen en ondergetekende) die partijen bijna een halve eeuw later onder ogen kregen, leverde dat bij het lezen acute hoofdpijn op. Geen wonder dat de orkestleden van 1949 er grote moeite mee hadden en dat er in de wandelgangen werd gesproken van de "Matthijs-Passion".
De weerstand was zo heftig, dat Van Beinum op het punt stond de boel af te blazen. Maar Vermeulen vroeg Eduard Reeser om Van Beinum en de orkestleiding voor te houden dat Amsterdam toch niet mocht onderdoen voor het Rotterdams Philharmonisch Orkest en Eduard Flipse die een maand eerder een succesvolle uitvoering hadden gegeven van Vermeulens Vierde Symfonie, die toch ook hoge eisen stelt aan dirigent en spelers.
Van Beinum herwon zijn vertrouwen in het werk en volhardde in de studie met het orkest. Hoewel de generale repetitie nog veel weg had van "de metrisch gescandeerde chaos", zoals Vermeulens vriend Rudolf Escher het noemde, moet er bij de eerste uitvoering toch sprake zijn geweest van een behoorlijke reproductie van de noten. Maar die liet de tot uiterste gespannen componist totaal onberoerd: "De uitvoering van woensdagavond deed mij niets. Om aan mezelf en aan de rest te wanhopen. Om aan de ganse rataplan vaarwel te zeggen. Pas de uitvoering van donderdag heeft mijzelf meegesleept en onwrikbaar overtuigd." (Dit schreef Vermeulen aan Henriëtte Bosmans.)
De tweede maal was Vermeulen juist verrukt van hetgeen orkest en dirigent bij hem teweegbrachten, zozeer zelfs dat hij na afloop zichtbaar geroerd rondliep. Vol bewondering liet hij de volgende dag aan Van Beinum weten: "Van het begin tot het einde voelde ik mij aangegrepen met hetzelfde geweld als toen het werk geschreven werd." Kort erna heeft hij de ervaring die hij op die avond bij zijn muziek opdeed, neergelegd in een brief aan Rudolf Escher die hij publiceerde in De Groene:
"Er overkwam mij 13 oktober iets wat me levenslang niet gebeurde. Verbeeld je: kritisch luisterend, alsof het werk dat gespeeld werd, geschreven was door een ander, raakte ik gaandeweg meegesleept door het orkest. Je weet hoe zeldzaam het voor een componist is om van een massa gevoeligheden bevrijd te worden, en je door de uitvoering teruggebracht te zien naar die merkwaardig zinnende en ontzinde momenten, waarin je de muziek maakte. Dat beleefde ik tot mijn verrassing, en deze indruk van bewondering en opgetogenheid ging voortdurend crescendo. Ik merkte hier en daar wel een kleine stremming in de stroom, maar een volgende golfslag haalde me daar direct overheen. Ik had mezelf als persoon totaal vergeten, zoals je alles vergeet wanneer je werkt aan zo'n ding. Ik hoorde ook niet mezelf. Neen. Terwijl ik om zo te zeggen rondzweefde tussen de klanken, even gemakkelijk als men vliegt in een droom, en ten naastebij alles op zijn plaats vond, hoorde ik niets dan het orkest. En 't scheen mij dat ik nooit zulk een orkest gehoord had; dat ik nergens ooit zulk een unieke verzameling van rasechte kunstenaars zou ontmoeten, die met een onovertrefbare trouw technische moeilijkheden overwonnen, welke zij weerbarstig moesten oordelen, en ze dermate overwonnen in de kortste tijd, dat zij die muziek onbelemmerd konden spelen met hun hart. Het leek me, dat nergens ter wereld een hoboïst was als Stotijn, een fluitist als Barwahser, nergens een saxofonist als Klemann, nergens alle andere houtblazers, nergens zulk een wisselende pracht in de groep der koperen instrumenten, nergens een orkest dat zodanige vaardigheid verenigt, en vermeerdert met zo hoge, zo zuiver artistieke toewijding aan de muziek die op de lessenaars ligt. Nergens ter wereld ook een dirigent als Van Beinum. Ik was verrukt, zoals je ziet. Ik ben het nog, terwijl ik je schrijf."
In het vervolg van de brief schrijft Vermeulen over de schok die hij ondervond van de recensies van zijn collega's:
"Het bleek duidelijk dat zij van dit buitengewone, dat mij overrompelde, niets of zo goed als niets hadden bespeurd met uitzondering van Piet Tiggers in het Handelsblad en Karel Mengelberg in het Vrije Volk. Om je de waarheid te bekennen stond ik perplex. Het deed me plezier dat zij geen blad voor de mond namen, wat ook mijn gewoonte is. Het onthutste me dat zij niets, maar dan ook letterlijk niets in mijn vijfde symfonie vernomen hadden dat enig blijk van mogelijkheid tot medevoelen of enkel slechts van objectief beschouwen in hen verwekte. De een verweet mij dat ik hem bek-af maakte en geen flauw benul had van melodie, hoewel ik melodisch beweerde te componeren. Die man hoorde blijkbaar geen noot van het adagio dat minstens voor de helft pure cantilene is, als een ouderwetse Italiaanse opera. Een ander zei me dat ik onbegrijpelijk was, dat zijn oren niets hadden opgevangen dan dissonanten en een chaos. Een derde noemde mij geschift, een vierde waanzinnig."
En zo heeft Vermeulen nog een heleboel over zich heen gekregen.
Ook Escher had een bezwaar geuit: "de nagenoeg totale afwezigheid van een harmonische ruimtelijkheid". Daarin manifesteerde zich een principieel verschil in opvatting over de harmoniek. Wie geïnteresseerd is in Vermeulens en Eschers discussie over dat onderwerp, kan een kopie van hoofdstuk 39 uit mijn publicatie Door het geweld van zijn verlangen. Een biografie van Matthijs Vermeulen (Amsterdam: De Bezige Bij 1997) toegestuurd krijgen. Laat het me weten.
 
Een van de wonderen van het Holland Festival 1997 was de uitvoering van Vermeulens Vijfde Symfonie door het Radio Filharmonisch Orkest onder leiding van Ingo Metzmacher. Technische problemen, ze leken niet meer te bestaan, zozeer stonden de spelers boven de materie. De muziek werd met een gemak gebracht alsof het een repertoirestuk betrof. Klankkleur, klankmenging waren schitterend. De dynamische tekens in Vermeulens partituur (er staat heel dikwijls pp, mp of p voorgeschreven) werden gerespecteerd, zodat contrasten tussen sterke en zachte gedeeltes goed werkten. En bovenal kwam Vermeulens adagium tot leven: "alles stroomt melodisch".
Andere wonderen van het Holland Festival als de fraaie vertolking van de Vioolsonate door Josje ter Haar en John Snijders (op een historische Erard-vleugel) en van de Tweede Cellosonate door Quirine Viersen en Silke Avenhuis komen in de BIS-serie niet aan bod. Deze jonge spelers verrasten door hun zekere en overtuigende interpretatie van Vermeulens bijna symfonische kamermuziek. Maar ik wilde ze niet ongenoemd laten.
Ook wil ik graag dank uitspreken aan Siebe Riedstra, samensteller van de BIS-programma's van de TROS, voor deze serie die een huldeblijk is aan Matthijs Vermeulen èn Jan van Vlijmen als programmeur.
 
Ton Braas, webmaster
 
BIS! (TROS) van maandag 26 mei 2008: De droom van Jan van Vlijmen, aflevering 4
Uitvoering door het Radio Filharmonisch Orkest o.l.v. Ingo Metzmacher op 30 juni 1997 in het Concertgebouw in Amsterdam:
• Albert Roussel, Symfonie nr. 2 in Bes opus 23
• Matthijs Vermeulen, Symfonie nr. 5 Les lendemains chantants
Uitvoering door het Nederlands Philharmonisch Orkest o.l.v. Hartmut Haenchen op 10 juni 1997:
• Edgard Varèse, Offrandes met Rosemary Hardy, sopraan
• Matthijs Vermeulen, Symfonie nr. 6 Les minutes heureuses
• Matthijs Vermeulen, La veille met Hebe Dijkstra, alt
• Bernd-Alois Zimmermann, Symphony in one movement
 

 
DE PREMIERE VAN VERMEULENS DERDE SYMFONIE DOOR EDUARD VAN BEINUM
 
Vermeulens Derde Symfonie Thrène et Péan, gecomponeerd in 1921/1922, werd in première gegeven op woensdag 24 mei 1939 door het Concertgebouworkest onder leiding van Eduard van Beinum tijdens de derde editie van MANETO (Manifestatie Nederlandse Toonkunst). Tot dan toe had Vermeulen slechts de uitvoering gehoord van zijn Eerste Symfonie, in 1918 door de Arnhemse Orkest Vereniging onder leiding van Richard Heuckeroth. De omstandigheden waren toen desastreus, daar het orkest was gedecimeerd ten gevolge van de Spaanse griep die in Europa heerste, en doordat het orkestmateriaal niet gecorrigeerd bleek te zijn. Dat leverde een traumatische ervaring.
Het was met grote spanning èn beduchtheid dat Matthijs Vermeulen in mei 1939 het Concertgebouw betrad voor de eerste repetitie van zijn Derde Symfonie. Blijkbaar was de Grote Zaal die ochtend niet beschikbaar, want het gebeuren speelde zich af in de Kleine Zaal, waar de reusachtige orkestbezetting waarschijnlijk niet geheel op het podium paste (het is niet bekend hoe dat opgelost is) en het geluid veel te groot was voor de ruimte.
Maar dat was niet Vermeulens belangrijkste zorg. Het was het oordeel dat Pierre Monteux in 1930 over de Derde Symfonie had geveld. Na bestudering van de partituur schreef deze fameuze dirigent aan de componist: "Hoewel ik geen definitief oordeel kan geven over een zo gecompliceerd werk zonder het te horen, na het alleen maar gelezen te hebben, schijnt het me toch dat uw werk zodanig veelstemmig is dat het op sommige plaatsen moeilijk moet zijn wat dan ook te onderscheiden. Het is bovendien zo dissonerend dat ik niet geloof dat een publiek tot het eind toe zal willen blijven luisteren."
Het zal je maar gezegd zijn door de man die nieuwe, moderne stukken als Stravinsky's Le sacre du printemps in première had gebracht! De confrontatie met de werkelijke klank van het polymelodische weefsel dat Vermeulen in zijn partituur had vastgelegd, was een exitentiële kwestie van to be or not to be. Later bracht hij het zo onder woorden: "Hoe zou ik gereageerd hebben als ik had moeten erkennen dat de feiten mijn berekeningen weerspraken? Eerlijk gezegd: het viel mee. Er ontspande zich ergens in mijn organisme een beklemming welke mij ruim een kwart eeuw had gesmoord. De orkestratie en de compositie klonken niet onzinnig. Zij bleken aanhoorbaar."
Gaandeweg de repetitie werd Vermeulen gegrepen door de muzikaliteit van Eduard van Beinum: "Het leek me uitstekend te gaan, wat de noten betrof. Maar plotseling, te midden van een frase, en zonder dat ik eigenlijk wist waarom, tikt Van Beinum af en interpelleert de trompet. De manier waarop deze zijn melodie speelde, was hem niet naar de zin. Te stug, te houterig. Niet lenig genoeg. Een kwestie van dictie, van declamatie. Het was geen gewone melodie, het waren ook geen gewone eisen die hij stelde, en om zijn bedoeling duidelijk te maken, zong hij haar de speler voor. Ik luisterde, even aandachtig als de trompet, en ontving een van de schokken welke in een leven beslissend zijn. Opeens wist ik een musicus gevonden te hebben die alle denkbare inflexies, alle virtuele tovers, alle achtergronden van een gezang doorschouwd, bevroed had gelijk de weinigen aan wie bekend is hoe een zang geboren wordt. Ik voelde een onmetelijke dankbaarheid voor dat korte moment van herkenning, dat ideale bewijs van identiteit."
         Intense dankbaarheid voelde Vermeulen ook jegens Jan van Gilse, initiatiefnemer van MANETO, die hem eind 1938 benaderd had met het verzoek om een symfonisch werk in te sturen voor het volgende programma. Het vooruitzicht op een uitvoering betekende zoveel als een meteoorinslag in Louveciennes, waar Vermeulen sinds jaar en dag weinig voeling meer had met het Nederlandse muziekleven. Voor hem was het bericht des te verrassender daar het kwam van Van Gilse, tegen wie hij zich als criticus circa 25 jaar geleden dikwijls fel gekeerd had. De brieven die Vermeulen in de aanloop naar het concert en na de succesvolle première aan zijn confrater schreef, zijn openhartig en ontroerend. Zo is erin te lezen: "Wat mij tot nu toe het meest ontbroken en wat mij ten slotte sterker dan alles geremd heeft, dat is de onmogelijkheid om de orkestrale polyfonie gelijk ik die geconcipieerd heb, te toetsen, te controleren aan de realiteit van de klank. Ik moet het bekennen: na de Derde Symfonie heeft mij de moed begeven om aldus in den blinde, op de tast, voort te gaan langs banen waarvan ik mij de vermetelheid ten volle bewust was. Wanneer ik eraan dacht dat meesters als Debussy en Mahler, toegerust met zoveel meer "praktijk" dan ik en in 't bezit van hun gehele techniek, nog ingrijpende correcties aanbrachten na verificatie van het geschrevene aan het klinkende orkest, dan beving mij een soort van panische ongerustheid."
         De uitvoering van mei 1939 leverde Vermeulen het bewijs dat zijn concepten realiseerbaar waren. Daarna durfde hij in 1940 een nieuwe symfonie op stapel te zetten, en toen die in 1941 voltooid was, bijna onmiddellijk weer een volgende.
 
In het Holland Festival van 1997 heeft David Porcelijn een buitengewoon knappe, uitstekend geprepareerde èn geïnspireerde vertolking gegeven van de Derde Symfonie met een combinatie van het Nederlands Ballet Orkest en het Noordhollands Philharmonisch Orkest. De uitzending van BIS! van aanstaande maandag 19 mei 2008 begint ermee.
         Meer informatie over deze symfonie en over de Vierde Symfonie, in HF-1997 uitgevoerd door het Rotterdams Philharmonisch Orkest (uitstekend voorbereid door Jurjen Hempel) onder leiding van Valery Gergiev, is te vinden op de website.
 
BIS! van maandag 19 mei 2008: De droom van Jan van Vlijmen, aflevering 3
Uitvoering door het Nederlands Balletorkest & Noordhollands Philharmonisch Orkest o.l.v. David Porcelyn op 7 juni 1997 in het Concertgebouw in Amsterdam:
• Matthijs Vermeulen, Symfonie nr. 3 Thrène et Péan
• Arnold Schoenberg, Orchestral Songs op. 22: Seraphita / Alle welche dich suchen / Mach mich zum Wächter deinen Weiten / Vorgefühl
Solist: Marie Kobayashi, mezzosopraan
• Alexandr Skrjabin, Symfonie nr.2 in c kl.t. op. 29: Andante / Allegro / Andante / Tempestoso /Maestoso
Uitvoering door het Rotterdam Philharmonisch Orkest o.l.v. Valery Gergiev op 6 juni 1997:
• Matthijs Vermeulen, Symfonie nr. 4 Les Victoires
• Galina Oestvolskaja, Pianoconcert
Solist: Serguei Markarov, piano
• Sergei Prokofjew, Ala i Lolli suite op. 20: The adoration of Veles and Ala / The enemy God and the dance of the black spirits / Night / The glorious peperdure of Lolli and the procession of the sun
 
In het hoofdmenu van de website treft u de rubriek aan 'MV op radio/tv/dvd'. Daar zijn onder andere links te vinden naar alle afleveringen van De droom van Jan van Vlijmen.

 
e-nieuwsbrief nr. 7 (9 mei 2008)
VOORSPEL TOT DE NIEUWE DAG
 
"Kijk s.v.p. voordat ik terug kom het begin eens rustig na van je 2e symf. Ik bedoel de contrabaspartij. Hoe moet ik al die kleine kriebeltjes tot klinken brengen als de heren van het H.F. je symfonie accepteren." Zo luidde de laatste alinea van een brief die Eduard van Beinum op 1 februari 1956 aan Matthijs Vermeulen schreef vanuit Californië, waar hij het Los Angeles Philharmonic Orchestra dirigeerde.
Vermeulen zal deze regels enige malen overgelezen hebben, voordat het nieuws in zijn volle betekenis tot hem doordrong. "Moet ik uit je brief afleiden dat je mijn tweede symfonie wilt maken op het Holland Festival? Heb je een push? Zou je dat aanpakken zoals je op een vurig paard springt, en ermee vandoor gaat over alles heen, het hert van Sint Hubertus achterna?" vroeg Vermeulen aan Van Beinum die een hartstochtelijk jager was. Hij stelde voor het werk samen door te lezen in een groot exemplaar van de partituur (blijkbaar had Van Beinum een klein formaat in zijn bagage meegenomen). Zelf had Vermeulen de Tweede Symfonie, gecomponeerd in 1919/20, meteen nog eens doorgekeken en één ding wist hij zeker: "Goed of niet goed, maar niemand doet me dat na. In de meer dan dertig jaar dat de symfonie onuitgevoerd bleef was die zekerheid me soms een troost. Een schrale. Dat onuitgevoerd blijven heeft me ontzaglijke schade gedaan. Maar ik leef nog. Dat is het voornaamste."
In de verklaring van de titel van het werk, zoals Vermeulen die aan Van Beinum geeft, komt een ongeknakt optimisme naar voren: "Met Prélude à la nouvelle journée heb ik bedoeld: de nieuwe dag die moet aanbreken voor alle mensen, voor de wereld. Wat de mensen hoopten omstreeks 1919 is in die symfonie gecondenseerd. Het is nog geldig. Vandaag nog hopen we hetzelfde. Gebeuren zal het."
Het duurde nog verscheidene maanden vóór er zekerheid kwam, dat het plan ook werkelijk door zou gaan. Het is vooral Marius Flothuis geweest, die zich er sterk voor heeft ingezet bij de organisatie van het Holland Festival.
De uitvoeringen van Vermeulens Tweede Symfonie, op één programma met Beethovens Koorfantasie en Mendelssohns Italienische, vonden plaats op 5 (Amsterdam), 7 (Scheveningen) en 8 juli (Amsterdam). Voorbereidende repetities zijn geleid door Henri Arends. Vermeulen zelf is met zijn vrouw Thea aanwezig geweest bij twee van de drie repetities onder Van Beinum. Ondanks de drukte van het afgelopen seizoen en een vermoeiende tournee (de eerste naar de Verenigde Staten van Amerika) bleken dirigent en orkest in topvorm. Hoewel nog niet alle balansproblemen in de sterke gedeelten waren opgelost, werd de première op de donderdagavond een regelrecht succes bij het talrijke, aandachtige Festival-publiek. Vermeulen werd uitbundig gehuldigd en in de pauze werd hij omstuwd door handtekeningenjagers en mensen die hem gelukwensten. De tweede uitvoering in de Kurzaal in Scheveningen kreeg een wat koele ontvangst en was waarschijnlijk ook beduidend minder mooi ten gevolge van de moeilijke akoestiek.
De uitvoering tijdens het volksconcert op de zondagavond is volgens getuigenissen de beste geweest. De spelers waren inmiddels vertrouwd geworden met het werk. Lukte het bij het eerste concert reeds om bijvoorbeeld het hoofdthema en de ervan afgeleide melodieën in al hun onstuimigheid over het voetlicht te krijgen en de lyrische passages mooi te laten klinken, zoals op een band van de radio-uitzending is te constateren (later verdoekt op cd), nu kwam er nog meer tekening in de veelstemmigheid van het moeilijke middendeel. Voor de componist was het een verademing te kunnen vaststellen dat het goed was wat hij in zijn vroege jaren had gemaakt. En opnieuw deden de spontane en sympathiserende reacties van het publiek hem veel genoegen. Onder hen was Vermeulens zoon Donald, die nog nooit eerder een symfonisch werk van zijn vader in de zaal had gehoord.
De uitvoeringen van het werk en alles eromheen, hebben zeker bijgedragen tot Vermeulens besluit om aan het eind van dat seizoen te stoppen met het schrijven voor de Groene en de jaren die hem nog restten, louter aan het componeren te besteden. Zo was het Holland Festival van 1956 voor Vermeulen het voorspel tot een nieuwe fase van scheppende arbeid. Meteen na de verhuizing naar Laren begon hij aan zijn Zesde Symfonie.
Ook in het Holland Festival van 1997 maakte de uitvoering van Vermeulens Tweede Symfonie een diepe indruk op het publiek. De veelheid aan klankkleuren en de doorzichtigheid van het stemmenweefsel die het Residentie Orkest onder leiding van Gennady Rozhdestvensky tot stand bracht, was adembenemend.
U kunt ernaar luisteren in de aflevering van maandag aanstaande (12 mei) van het radioprogramma BIS van TROS-klassiek op Radio4, vanaf 20.02 uur. Hier volgt de complete inhoud:
 
BIS! 12 mei 2008 (20.02-22.45 uur)
Uitvoering door het Residentie Orkest o.l.v. Gennady Rozhdestvensky op 18 juni 1997 in het Concertgebouw te Amsterdam (NPS-opname):
• Joseph Haydn, Symfonie no. 79 in F gr.t.: Allegro con spirito / Adagio cantabile, Un poco allegro / Menuetto (Allegretto) / Vivace
• Matthijs Vermeulen, Symfonie nr. 2 Prélude à la nouvelle journée: Animé / En s' éloignant encore de plus en plus apaisé / Molto rubato / Tendrement agité / Vif et nerveux
• Karol Szymanowski, Symfonie nr.2 in Bes gr.t. op. 19 / Allegro moderato / Grazioso / Tema / Variazioni / Fuga
• Joseph Haydn, Symfonie nr. 87 in A gr.t.:Vivace / Adagio / Menuet / Vivace
Op 18 juni 1997 werden in de Kleine Zaal van het Concertgebouw uitgevoerd (NPS-opname):
• Matthijs Vermeulen, Strijkkwartet: Tranquillo, Allegro appassionato ma dolce / Andante / Molto animato
Schönberg Kwartet (Janneke van der Meer, Wim de Jong, Henk Guittart, Viola de Hoog)
• Matthijs Vermeulen, Trois salutations à Notre-Dame
Judith Mok, sopraan en Antoine Oomen, piano

 
e-nieuwsbrief nr. 6 (2 mei 2008)
MEI 2008: VERMEULENS OEUVRE INTEGRAAL OP RADIO 4 TE BELUISTEREN
 
Sinds enige tijd zendt de TROS op maandagavond het programma BIS! uit, met historische opnamen uit de rijke archieven van de publieke omroep. Centraal staan de opnamen die de omroepen vanaf 1945 geproduceerd hebben met het Radio Filharmonisch Orkest, het Radio Kamerorkest, het Radio Symfonie Orkest, het Groot Omroepkoor en het Metropole Orkest. Maar ditmaal komen ook andere orkesten aan bod.
Deze maand zijn de uitzendingen gewijd aan 'De droom van Jan Vlijmen'. De aankondiging luidt:
In 1997 vatte Jan van Vlijmen, de toenmalige artistiek leider van het Holland Festival, het plan op om alle symfonieën en kamermuziek van Matthijs Vermeulen in één Festival-Editie tot klinken te brengen. En ware krachtsinspanning en een krachtige daad in het Nederlandse muziekleven, waaraan zeven orkesten en zeven dirigenten, waaronder Valery Gergiev en Gennadi Rozhdestvensky, hun beste krachten gaven. In februari 2008 is het 120 jaar geleden dat Matthijs Vermeulen ter wereld kwam. In BIS van deze maand laten we opnieuw deze opnames integraal horen als een hommage aan zowel Matthijs Vermeulen als Jan van Vlijmen.
 
Maandag 5 mei (20.02-22.45 uur) is de eerste uitzending.
Het Nederlands Philharmonisch Orkest o.l.v. Ed Spanjaard speelde op 3 juni 1997 in het Concertgebouw in Amsterdam (NPS-opname):
• Matthijs Vermeulen, Symfonie nr. 1, Symphonia carminum
• Claude Debussy Ballades de François Villon: Ballade de Villon a s’amye / Ballade que Villon feit a la requeste de sa mère / Ballade des femmes de Paris
Solist: François le Roux, bariton
• Charles Ives, uit A Holidays Symphony: Washington’s Birthday / Decoration Day / Thanksgiving and/or Forefathers’Day
m.m.v.Toonkunstkoor Amsterdam
Het Gelders Orkest o.l.v. Christopher Lyndon Gee voerde daar op 18 juni 1997 uit (eveneens NPS-opname):
• Matthijs Vermeulen, Symfonie nr. 7 Dithyrambes pour les temps à venir: Molto vivace / Poco meno mosso / Subito vivo assai
• Igor Markevitch, Lorenzo il magnifico : Datemi pace omai ardenti / Romperanno i silenzi assai men lunghi / Intermezzo strurmentale / Una donna il cor m’ha tolto / Donne belle io ho ceralto
Solist: Lucy Shelton, sopraan
• Jean Sibelius Symfonie nr. 4 in a kl. t. op.63: Tempo molto moderato quasi adagio / Allegro molto vivace / Il tempo largo / Allegro
 
Ik zou zeggen: stemt u af (zoals dat nog altijd wordt genoemd) op Radio4, na de twee minuten stilte ter herdenking van de gevallenen.
Vermeulen zelf speurde ook graag de ether af op zoek naar nieuwe, spannende muziek.
 
 

 
e-nieuwsbrief nr. 5 (30 april 2008)
"DE ENE GRONDTOON" - VERMEULENS CRITERIUM VOOR GOEDE, WAARACHTIGE MUZIEK
 
Viermaal in zijn schrijversbestaan heeft Matthijs Vermeulen een bundel samengesteld met een selectie uit zijn muziekkritieken en beschouwingen over muziek.
De eerste keer was in 1918, met als resultaat de verschijning van De Twee Muzieken. Dit is een verzameling van vooral polemische stukken waarin Vermeulen de antithese stelt tussen de Franse en Duitse muziek.
In de bundel Klankbord, die Vermeulen in 1929 op verzoek van Hendrik Marsman samenstelde voor De Vrije Bladen, speelt polemiek een veel kleinere rol. De publicatie bevat onder andere Vermeulens beschouwing over de muziek als de kunstuiting die méér dan de andere kunsten "de levenswaarden doet ervaren in kern en wezen". Hij stelt onder meer:
"Géén andere kunst, geen overreding, geen dialectiek opent het leven zo in al zijn afgronden, in al zijn werkelijkheden. Muziek is weten, muziek is geloof. Muziek is het enige, betrouwbare, openbarende geloof. Muziek is de altijd definitieve zekerheid. Nooit ervaren wij vreugde of smart, liefde of lijden, duidelijker, dieper, dringender, wezenlijker dan wanneer muziek spreekt over vreugde of smart, liefde of lijden. Nooit graven wij dieper in de aarde, in de ziel of in het verschiet dat Hemel heet, of in God, die altijd het toekomende is, dan wanneer muziek ons deze geheimen opheft en binnenvoert."
Vermeulen was niet de eerste die beweerde dat muziek de hoogste der kunsten is. Eerder hadden grootheden als Beethoven en Schopenhauer deze stelling verwoord.
Klankbord is een lofzang op meesters als Bach, Beethoven, Bruckner, Mahler en Diepenbrock, over wie hij in zijn Telegraaf-tijd (1915-1920) had geschreven of in daarop volgende jaren essays had opgesteld voor De Nieuwe Kroniek en De Gids. Deze artikelen horen tot de mooiste van Vermeulens hand. Maar toch kwam ook in deze bundel de stellingname van de criticus tegen gevestigde namen aan bod. In zijn artikel Rondom Stravinsky, gepubliceerd in 1927 in De Muziek), zet Vermeulen een vraagteken bij de originaliteit van Stravinsky ("Kende Stravinsky, toen hij Le sacre noteerde, Schönbergs Fünf Orchesterstücke of kende hij ze niet?") en laakt hij diens stilistische en vooral psychische metamorfose, resulterend in Oedipus Rex.
 
De inhoud van bovengenoemde bundels zal integraal op de website worden geplaatst. Maar zover is het nog niet. Wèl is sinds eind april Vermeulens derde bundel integraal op de site te lezen: De ene grondtoon.
 
De ene grondtoon, in 1932 door De Vrije Bladen uitgebracht, is anders van opzet dan de vorige bundel. Het gaat om 27 merendeels korte stukken, allemaal uit de periode tot en met 1920, die Vermeulen onder 18 noemers heeft samen gebracht. Sommige hoofdstukken vormen een protest tegen zowel de bevoorrechting van Brahms, Reger, Grieg en Richard Strauss in het Amsterdamse muziekleven van het tweede decennium van de twintigste eeuw. Andere ageren tegen bepaalde aspecten van Mengelbergs muziekpraktijk: het uitvoeren van Wagner-opera's op het concertpodium, waar de niet-afgeschermde klank van de koperblazers de vocale stemmen deed verdrinken, en het overplanten van Bachs Matthäus-Passion uit de kerkelijke ambiance, waar zij volgens Vermeulen thuishoorde, naar de concertzaal. Ook nam Vermeulen het stuk Tegendelen op, waarin hij Mengelbergs karakterologische ongeschiktheid voor het Franse repertoire meende aan te tonen. Met vier samengevoegde artikelen over Cornelis Dopper velt Vermeulen een negatief oordeel over diens composities (een oordeel trouwens dat betreffende Doppers Tweede symfonie en Päân II wel enige bijstelling behoeft). Een ander hoofdstuk stelt de neiging tot parodie van Johan Wagenaar ter discussie.
Ruim de helft van de bundel is enerzijds een overdenking van de richting die de nieuwe muziek door Schönberg en Ravel in het tweede decennium van de eeuw nam, en anderzijds een lofzang op de grote meesters van verschillende tijden. Janequin, Monteverdi, Bruckner, Mahler, Debussy en Diepenbrock, allen worden zij beschreven vanuit het centrale gezichtspunt: de ene, waarachtige grondtoon, dat wil zeggen de boven-tijdelijke eigenschappen van alle in Vermeulens ogen goede muziek. De bundel opent met dit 'credo':
"Er is te midden van de scholen, de stijlen, de manieren, de trucs, de formalismen, die voorbijgaan met het tijdperk en de conventie waarop zij steunden, altijd een klank geweest, die bleef, die zich niet liet determineren met een jaartal van voor of na Christus, die stond buiten alle classicismen of modernismen, buiten alle tijden en volken, die onveranderlijk, onverwoestbaar in het leven kwam, die nooit vermindert, en welks tover nooit zal eindigen. Men herkent deze klank onmiddellijk en overal, omdat hij overal is en onmiddellijk; men staat er weerloos tegenover, omdat hij met zijn primitieve en rudimentaire accenten ingeboren werd in elke ziel, omdat ieder hem met zich meedraagt, omdat hij altijd op dezelfde wijs schreeuwde of zong, vanaf de grotbewoner tot de mens onzer mechanische eeuw. Het is ook de enige onverbiddelijke, machtige, magische toon, het is de enige die voor een componist het nastreven waard is."
 
Op de website (rubriek 'boekpublicaties') is de spelling van de artikelen gemoderniseerd.

 
e-nieuwsbrief nr. 4 (21 maart 2008)
 ANNY VAN HENGST, VERMEULENS EERSTE VROUW
 
Op deze helaas gure eerste dag van de lente is het precies 90 jaar geleden dat Matthijs Vermeulen (voor de burgerlijke stand: Mattheas Christianus Franciscus van der Meulen) in het huwelijk trad met Anna Wilhelmina Célestine van Hengst. Drie maanden eerder was Anny, zoals haar roepnaam luidde, in Vermeulens leven gekomen. Al jaren was zij een groot bewonderaar van zijn kritieken in De Telegraaf en zij had een originele manier bedacht om daar uiting aan te geven. Begin december 1917 stuurde zij hem zeven rozenknoppen in een helder-groen Chinees vaasje, met een briefje. Vermeulen werd geraakt door die geste en sprak met zichzelf af: "Als zij uitkomen wordt ze mijn vrouw." De rozen kwamen uit, ze bloeiden. Op Kerstmis ging Matthijs haar opzoeken. Toevallig verliet zij net haar huis en zo kwamen ze elkaar tegen, op een besneeuwd pleintje. Toen Vermeulen haar zag, wist hij onmiddellijk dat zij het was; voor hem was op dat ogenblik alles beslist. Hij heeft haar die dag reeds zijn trouw beloofd. (Dit romantische relaas is te lezen in Vermeulens geschrift Het enige hart, p.132.)
Als Vermeulens echtgenote heeft Anny roerige tijden meegemaakt, want zijn aanvallen op het Concertgebouw-beleid vertoonden een gestaag crescendo in die tijd en het naderend einde van de Eerste Wereldoorlog bracht bij Vermeulen een radicalisering van opvattingen teweeg. Het befaamde 'Leve Sousa'-incident vond plaats op het zondagmiddagconcert van 24 november 1918. Vermeulen werd gesommeerd de zaal te verlaten; de tweede helft van het programma zou niet aanvangen vóór hij buiten de deur was.
En als componistenvrouw zou Anny grote armoede tegemoetgaan, wat in schril contrast stond met de overvloed van haar jeugd. Ze was namelijk geboren in Nederlands-Indië, in Telok Betong op Sumatra, als dochter van de resident. Het leven van hoge ambtenaren in de koloniën was in het algemeen luxueus: een groot huis met een schitterend terrein en veel bedienden. Ook Anny was in een dergelijke weelde opgegroeid. Maar over de armoede die het leven aan de zijde van een scheppend toonkunstenaar haar zou brengen, heeft ze nooit geklaagd.
In mei 1918, kort na hun huwelijk, begon Vermeulen aan de compositie van zijn Eerste Cellosonate. Het eerste deel associeerde hij met Venus en kenschetste hij later als "de ontluiking en daarna het weerklinken van een grote liefdeszang in strofen en tegenstrofen". Het tweede deel is vooral dynamisch van karakter, met dikwijls heftige beweging in het hoge en lage register van beide instrumenten ("de opschudding en daarna een grote krijgszang in de geest van de overwinnaars"). Dit deel staat voor Mars. Aan het eind keert de stemming van het allereerste begin terug, alsof – zo schrijft Vermeulen – "opnieuw een canto d'amore zou kunnen ontluiken".
Toen het werk in 1927 in druk verscheen, kalligrafeerde Vermeulen op het schutblad van het exemplaar dat hij Anny gaf, een herinnering aan het ontstaan van de sonate:
"Je lag dicht naast me, op een warme, donkere mei-avond, buiten, onder een door muren afgebakend firmament, toen opeens alles open ging in ruimte, en uit de wijde verte mij de eerste bladzijden aanzweefden van deze sonate, die zo moeilijk te fixeren waren, want zij klonken op uit het volmaakte zwijgen, zij waren een stilte welke niet gestoord mocht worden, die toch sprak van geluk, die geheel vervuld was van liefelijkheid, overvol van de goede dingen, welke wij aanriepen, alleen door zo te zijn. Maat voor maat was je bij me. Er is geen maat waarin je niet bent. Ik noteerde en je leefde mee. Toen ik op een dood punt meende te zijn en het je zei, antwoordde je: "Kun je de twee thema's niet combineren?" Het was juist. Als je weg was was je bij me, en je weet wel hoe een melodie, misschien de beste aan je gebonden is."
 
Eerste Cellosonate te beluisteren op de website van VPRO's VRIJE GELUIDEN
U kunt het complete werk, prachtig vertolkt door Viola de Hoog en Paolo Giacometti, beluisteren op de website van het programma door rechts in beeld aan te klikken 'De Hele Cello Sonate (M. Vermeulen)'. Verder is er een interview te zien met de redacteur van deze nieuwsbrief, Vermeulen-specialist Ton Braas.
 
dvd van film DE LAATSTE REIS nu ook verkrijgbaar bij de Matthijs Vermeulen Stichting
De 400 bezoekers van het concert op zondag 3 februari in het Muziekgebouw aan 't IJ hebben tijdens het voorprogramma het openingsgedeelte kunnen zien van de film 'De Laatste Reis' (1987/88) van Kees Hin en Otto Ketting. Het publiek was meteen zo geboeid, dat er in de pauze al tientallen exemplaren zijn aangeschaft van de dvd die door het Filmmuseum is uitgebracht. Daar is de dvd te koop voor € 9,95. Voor hetzelfde bedrag kunt u de dvd nu bestellen bij de Matthijs Vermeulen Stichting. U heeft geen porto te betalen en u krijgt er extra documentatie bij die voor het begrip van sommige scènes van nut kan zijn.
Stuur een bericht naar stichting@matthijsvermeulen.nl en maak het bedrag over naar girorekening 5590783 t.n.v. Matthijs Vermeulen Stichting te Laren NH. Binnen een paar dagen hebt u de dvd in huis.
 
Otto Ketting over Matthijs Vermeulen en de film De Laatste Reis
Als beginnend componist was ik nieuwsgierig naar alles wat nieuw was. Helaas viel er in Nederland weinig belangwekkends te ontdekken, maar de distributie-radio, een kastje met vier zenders, via de kabel dus storingsvrij, bracht uitkomst. Zo hoorde ik in 1953 en 1954 programma’s uit Duitsland met werk van Ives, Varèse, Schönberg en Webern: het leek muziek van andere planeten en uit België was daar het Koningin Elisabeth Concours voor componisten. Uit 439 inzendingen had de jury een tiental werken geselecteerd om uitgevoerd te worden. Op twee achtereenvolgende avonden speelde het symfonieorkest van de Belgische radio deze werken anoniem. De eerste prijs ging uiteindelijk naar de Pool Michael Spisak met een braaf, goedklinkend en vervelend stukje, maar verreweg de meeste indruk maakte het enige echt “moderne” werk van beide avonden: een explosie, deze roekeloze, geweldige sprong in het ongewisse en het reiken naar een nog niet bestaande klank. Het bleek tenslotte te gaan om een nog nimmer gespeeld werk van 33 jaar geleden (1919-20): de Tweede Symfonie van Matthijs Vermeulen.
Veel later, rond 1980, richtte ik met Peter Jan Wagemans en Piet Veenstra de Vermeulen Stichting op, waarbij ik de rol van voorzitter mocht spelen. Vermeulen was zo langzamerhand een legendarische, bijna mythische figuur geworden. Veel van zijn muziek was nooit gespeeld, of buitengewoon slecht, en feitelijk bestond hij uitsluitend als briljant essayist, nauwelijks als componist. Wat lag meer voor de hand dan zijn volledige compositorische werk vast te leggen in de best mogelijke uitvoeringen, alles opgenomen onder studio-voorwaarden. We zochten subsidiënten en vonden medestanders: de Wereldomroep nam de gehele kamermuziek voor haar rekening, de NOS nam de orkestwerken op.
Tot de uitvoerenden die direct hun fiat gaven behoorden Jard van Nes, Anner Bijlsma, Reinbert de Leeuw, Vera Beths, Ton Hartsuiker, Jaring Walta, het Schönberg Kwartet en vele anderen. In mei 1983 kon het eerste dubbelalbum met kamermuziek – de serie zou ten slotte 8 LP’s omvatten – aan de weduwe van de componist, Thea Vermeulen-Diepenbrock, worden uitgereikt.
Met de orkestwerken vlotte het minder. Weliswaar hadden we de medewerking gekregen van het Rotterdams Philharmonisch Orkest, het Residentie Orkest, het Amsterdams Philharmonisch Orkest, het Utrechts Symfonie Orkest en twee radio-orkesten, maar de opname van de Eerste Symfonie door het Rotterdams Philharmonisch Orkest onder een Franse dirigent was qua interpretatie zo matig dat we directeur Hans Oosterlee van het Rotterdams orkest wel moesten aanspreken. Hij antwoordde zonder een spier te vertrekken: "Dan doen we het over, onder een goede dirigent." Thea Vermeulen vond ook nog de partituur van een onbekende Interlude uit de Vliegende Hollander-muziek, zodat we die binnen een week konden opnemen met het USO. Bij de Passacaglia en Cortège uit dezelfde muziek ontdekte ik tijdens de montage in de Phonogram Studio dat de trombonegroep pagina’s lang twee tellen vóór op de rest lag. Gelukkig had ik nog de beschikking over een historische opname uit 1957 van Eduard van Beinum, zodat het Concertgebouworkest, dat geen enkel enthousiasme voor het project toonde, toch nog vertegenwoordigd was.
De film De Laatste Reis ontstond min of meer gelijk met de platenserie. Kees Hin en ik kwamen op het idee dat Vermeulen als de Vliegende Hollander langs de plaatsen uit zijn verleden zou reizen. Ik schreef vele vellen vol, die vervolgens door de regisseur weer werden aangevuld en veranderd, waarop ik weer enz… Het resulteerde in een prachtig scenario voor een film met een lengte van 3 uur en ook driemaal de begroting, die nog niet sluitend was op de eerste draaidag. Niettemin deed Hin alsof er niets aan de hand was en zocht ik passende muziek bij verschillende nog niet gedraaide scènes.
In het Leids studentenarchief vond ik de verloren gewaande partituur van de complete Vliegende Hollander-muziek voor het openluchtspel van Martinus Nijhoff en bovendien de in Parijs opgenomen 78-toerenplaten met die muziek. Deze werden in 1930 aan de oever van de Kagerplassen afgedraaid, maar waren van zo’n matige kwaliteit – bovendien regende en stormde het ter plekke – dat niemand de muziek van Vermeulen heeft kunnen horen. In de film gebruikten wij een USO live-opname van de Vliegende Hollander-muziek: een keiharde hoest uit het concertpubliek lijkt een geluidseffect uit de dichtbevolkte filmscène.
Het Amsterdamse Concertgebouw was bezig met een ingrijpende restauratie, zodat wij scènes uit de Eerste Wereldoorlog konden filmen in de met puin gevulde krochten van het gebouw. Martijn Sanders stelde de grote zaal gratis beschikbaar voor verdere opnames. De slotbeelden van de film met het prachtig gezongen La veille (in de orkestversie) door Jard van Nes besluiten de film op emotionele wijze.

 
e-nieuwsbrief nr. 3 (6 februari 2008)
DE 'VERMEULEN-WEKEN' IN DE MEDIA
 
In de kunstbijlage van de Volkskrant van donderdag 31 januari is een schitterend profiel verschenen van Matthijs Vermeulen ('guerrillastrijder in een schijndood land'), geschreven door Guido van Oorschot – met aandacht voor de concerten van 3 en 8 februari, de dvd van de film De laatste reis en de website.
Ook het Eindhovens Dagblad van zaterdag 2 februari besteedde een hele pagina (met een fraaie opmaak) aan de op handen zijnde activiteiten en liet celliste Viola de Hoog aan het woord ("zijn muziek zit barstenvol ideeën"), alsmede Jan Bongaarts, hoofd beleidsafdeling Kunst en Cultuur van de gemeente Helmond, en Theo Inniger, directeur van 't Speelhuis Helmond.
In Het Parool van 31 januari mijmerde redacteur Erik Voermans onder de kop "Het eeuwige noodlot van Matthijs Vermeulen" over de kansen van Vermeulens symfonische muziek in de concertpraktijk in binnen- en buitenland. Ondanks sprankjes hoop als de verkiezing van Vermeulen in de Top Vijf van de Canon van de Nederlandse Klassieke Muziek en het enthousiasme dat de gerespecteerde Amerikaanse criticus Kyle Gann onlangs voor Vermeulens oeuvre aan de dag heeft gelegd (zie vorige nieuwsbrieven), besluit Voermans: "Maar één Kyle Gann maakt nog geen zomer. In het Amerikaanse muziekleven, waar orkesten het zonder overheidssubsidie moeten stellen, en waar de inkomsten aan de box office alles bepalen, maken Vermeulens symfonieën trouwens sowieso geen schijn van kans. En in zijn vaderland is het al niet anders. [...] Incidentele, rond jubilea gecentreerde belangstelling, daar zal Vermeulen het tot in de eeuwigheid mee moeten doen."
Waar beurs-analisten al nauwelijks een voorspelling durven te geven over de koersen van volgend jaar, komt "tot in de eeuwigheid" nogal stellig en visionair over. Maar deze uitspraak prikkelt de ambitie van de Matthijs Vermeulen Stichting des te meer. We beschouwen het dus als een stimulans om nijver op ons pad door te gaan.
 
Matthijs Vermeulen in VPRO'S VRIJE GELUIDEN op zondag 10 februari
De uitzending is van 10.30 tot 11.30 uur. Het Vermeulen-blok van circa 20 minuten wordt voorafgegaan door de Italiaan Gianmaria Testa, ooit stationschef en nu behorend tot de top van het Italiaanse lied, met "een prachtig rauw, maar warm stemgeluid". Na Vermeulen volgen – eveneens uit Nederland, maar van recenter datum – de Hospital Bombers, het bandje dat volgens de Volkskrant zo bij Bob Dylan had kunnen horen als het met hem anders gelopen zou zijn. Een intrigerende context dus.
In het programma spelen Viola de Hoog en Paolo Giacometti Vermeulens Eerste Cellosonate, waarvan het tweede deel wordt uitgezonden (het hele werk kunt u na de uitzending beluisteren op de website). Verder is er een interview met Vermeulen-specialist Ton Braas.
 
reeks uitzendingen op Radio4 over Vermeulen als 'componist van de week' (VARA) blijvend te beluisteren
Een van de prettigste kanten van internet is de mogelijkheid om een gemiste uitzending op een later moment te beluisteren. De archieffunctie op de webpagina van het programma biedt de gelegenheid alles nog eens op een rij te zetten.
In de week van 28 januari t/m 1 februari zijn de vijf afleveringen van het radioprogramma 'Componist van de Week' gewijd geweest aan Matthijs Vermeulen. De serie heeft een prachtig document opgeleverd. Van Vermeulens oeuvre komen alle aspecten – vocaal, kamermuziek, symfonieën en de toneelmuziek bij het 'waterfeestspel' De Vliegende Hollander op tekst van Martinus Nijhoff – evenwichtig aan bod. De uitsnedes van de klinkende werken (meestal ging het wegens de tijdsduur van de composities om substantiële fragmenten) zijn uitstekend gekozen. In zijn beknoptheid is het levensverhaal dat wordt verteld, nagenoeg compleet. En de gekozen citaten geven een goed beeld van Vermeulens poëtica. Een knap staaltje van radiodocumentaire-maken. Complimenten aan samensteller Noor Kamerbeek !!
 
e-nieuwsbrief nr. 2 (25 januari 2008)
 MATTHIJS VERMEULEN COMPONIST VAN DE WEEK BIJ DE VARA OP RADIO4
 
In de aanloop naar zijn 120ste geboortedag is Matthijs Vermeulen bij de VARA uitgeroepen tot Componist van de Week. Dat houdt in: vijf uitzendingen die vanaf 28 januari dagelijks te beluisteren zijn van 19:30 uur tot 20:00 uur op Radio4. De programma's zijn samengesteld door Noor Kamerbeek en worden gepresenteerd door Peter Bree. De eerste aflevering begint met het volgende citaat:
"Voor de anderen heb ik altijd geleefd in het onmogelijke en in het onbewijsbare. Toen ik, zonder een cent fortuin, de muziek wilde leren, zei iedereen me: Dat is krankzinnig; je kunt evengoed met je kop door een muur lopen. En ik ben met mijn kop door de muur gelopen. Toen ik muziek gemaakt had, zei iedereen me: Dat is de wereld ondersteboven. Dat is je reinste chaos, je reinste anarchie, je reinste nonsens. Dat kan nooit klinken. En de enkele malen dat mijn muziek gespeeld werd, was het geen chaos, geen anarchie, geen nonsens. Het klonk."
Deze zelfbewuste en trotse uitspraak deed Vermeulen op 3 november 1944 in het dagboek dat hij bijhield na de dood van zijn vrouw Anny.
Het citaat zet de toon van de radioserie, die onder andere duidelijk maakt dat Vermeulens composities voortreffelijk klinken. Dat is meteen al het geval bij zijn opus 1, de Eerste Symfonie (1912-1914) die hij Symphonia carminum noemde. In de uitzending is een gedeelte van de symfonie te beluisteren in de uitvoering, op 5 mei 1964, door het Concertgebouworkest onder leiding van Bernard Haitink. Voor Vermeulen betekende die uitvoering de eigenlijke première van het stuk. In zijn programmatoelichting verklaarde hij de titel aldus:
"De Eerste speelt nog op een grens tussen de negentiende en de twintigste eeuw, toen de grote schaduw nog niet gevallen was, en omdat zij hoofdzakelijk de betoverde verwachtingen uitspreekt van de dageraad der jeugd noemde ik haar Symphonia Carminum, symfonie der gezangen, carmen bedoeld in zijn dubbele zin van zang en toverzang."
En inderdaad, toverachtig kan men het koloriet en de harmoniek van menige passage in de Eerste Symfonie zeker noemen.
Het daarna te beluisteren lied Les filles du roi d'Espagne, in de interpretatie vanIrene Maessen, sopraan en Marja Bon, piano, is al even toverachtig van atmosfeer.
 
Op de website 'Componist van de Week' wordt Vermeulen als volgt ingeleid:
"Onlangs maakte de NPS bekend dat in de Canon van de Nederlandse Klassieke Muziek de vijfde plaats wordt ingenomen door de componist Matthijs Vermeulen (1888-1967). Een bijzondere uitkomst daar de muziek van Vermeulen tot de minst gespeelde werken op het concertpodium behoort. 'Een muzikaal genie die zijn tijd ver vooruit was' en 'grensverleggend', schreven enkele inzenders. Tijdens zijn leven is Matthijs Vermeulen een eenzame componist, die niemand navolgt maar ook door niemand is nagevolgd. Hij zet de in zijn jeugd gevoelde muzikale extase om in dermate intense muziek - een 'veelgelaagd gezang', zoals hij het noemt - die, harmonisch atonaal en ritmisch complex, bovendien zulke extreme eisen aan de uitvoerenden stelt, dat menig dirigent er bij voorbaat al van afziet om zijn symfonieën op het programma te zetten.
Achter dit ingewikkelde pantser huist echter een uiterst gevoelige ziel die zowel in zijn liefde voor zijn naasten als voor de muziek tot het uiterste gaat. Matthijs Vermeulen wil niet minder dan naar de bron reiken, naar 'de muziek zoals zij stroomde bij den aanvang der dingen'. En zo klinkt zij nog steeds: verrassend jong en intens!"
Maar oordeelt u zelf, van maandag 28 januari t/m vrijdag 1 februari.

 
e-nieuwsbrief nr. 1 (8 januari 2008)
08-02-2008: VERMEULENS 12OSTE GEBOORTEDAG
 
Deze eerste e-nieuwsbrief van de Matthijs Vermeulen Stichting is grotendeels gewijd aan de evenementen die de stichting ter gelegenheid van Vermeulens 120ste geboortedag organiseert. Er staat veel te gebeuren! Niet alleen vinden er twee concerten plaats met kamermuziek en liederen van Vermeulen en tijdgenoten die hem van nabij hebben meegemaakt, ook wordt de website www.matthijsvermeulen.nl gelanceerd en worden er twee gedrukte muziekuitgaven gepresenteerd, alsmede een dvd van de film De laatste reis (1987) die cineast Kees Hin in samenwerking met Otto Ketting maakte over het leven van Vermeulen. Maar deze nieuwsbrief bericht ook over initiatieven (en ontdekkingen) van anderen.
 
concerten op 3 februari (Amsterdam) en 8 februari (Eindhoven)
Het concertprogramma omvat Vermeulens Eerste Cellosonate, Strijktrio, Strijkkwartet en de liederen Les filles du roi d’Espagne en La veille. Het wordt uitgevoerd door eersteklas musici (Schönberg Kwartet, Irene Maessen & Marja Bon, Viola de Hoog & Paolo Giacometti) die reeds eerder – met verve en grote muzikale overtuigingskracht – composities van Vermeulen over het voetlicht hebben gebracht.
         Op 3 februari kunt u het concert beluisteren in het Muziekgebouw aan ’t IJ te Amsterdam, de stad die voor Vermeulen in zijn jonge jaren als recensent (1910-1920, voor dagblad De Tijd, weekblad De Amsterdammer en het destijds progressieve dagblad De Telegraaf) één grote praktijkschool is geweest: zonder zijn bijna dagelijkse omgang met de werken die het Concertgebouworkest ten gehore bracht, zou zijn opus 1, de Eerste Symfonie Symphonia carminum, niet zo'n meesterwerk van orkestratie zijn geworden. Drie werken op dit programma stammen uit Vermeulens eerste Amsterdamse tijd.
         Het concert (15.00 uur) wordt voorafgegaan door een inleiding (14.00 uur) waarin Leo Samama de website lanceert en eerste exemplaren van de Collected Chamber Music worden overhandigd aan Anner Bijlsma en Reinbert de Leeuw – meestervertolkers van Vermeulens cellosonates. Het eerste exemplaar van de Collected Songs wordt uitgereikt aan Jard van Nes, die La veille indringend heeft gezongen op een plaatopname (later op cd uitgebracht). Van de prachtige film De laatste reis worden fragmenten vertoond op een groot scherm.
         Op 8 februari, Vermeulens 'verjaardag', vindt het concert plaats (20.15 uur) in Muziekcentrum Frits Philips te Eindhoven, dicht bij zijn geboortestad Helmond. Daar houdt Marianne Lange een inleiding (19.15 uur) onder de titel "Je sais l’art d’évoquer les minutes heureuses – over de tekst die Matthijs Vermeulen koos voor het componeren van zijn liederen".
 
Amerikaanse componist/scribent Kyle Gann ondersteboven van Vermeulens symfonieën
Tijdens een sabbatical leave van een druk docentschap maakte de Amerikaanse componist-scribent-teacher Kyle Gann een intensieve reis door Europa: "seven countries in eleven weeks, giving six concerts and ten lectures, meeting lots of composers, and hearing tons of new Music". Ook Amsterdam deed hij aan, waar hij door Anthony Fiumara werd gewezen op de onbekende Matthijs Vermeulen. Vervolgens ging er in de luisterkamer bij Donemus een wereld open voor Gann.
         Hij getuigt ervan op zijn weblog op Arts Journal – the daily digest of arts, culture & ideas:
the most astonishing composer I learned about there: Matthijs Vermeulen. The Dutch call Vermeulen (1888-1967) "the Charles Ives of Holland", and also their Varèse. He is the archetypal undiscovered composer. His Second Symphony - considered by many his most groundbreaking work (second page pictured below) - received its first performance in 1953, and Vermeulen himself first heard it in 1956. He had written it in 1920. The tone clusters, polyrhythms, percussion, and atonal counterpoint it opens with are easily as daring as anything Varèse would write in the next decade. To throw yet another comparison in, the Dutch refer to it as "the Dutch Sacre du Printemps." Curiously modest about promoting their national composers, they won't tell you anything about Vermeulen unless pressed, but if you mention how remarkable he was, they look proud as punch.
On top of the fact that he was decades ahead of his time, Vermeulen was just my kind of guy. Autodidact and too poor to buy concert tickets, he learned the repertoire by listening to orchestras play from outside the Concertgebouw, sitting in the garden. He found work as a music critic, one whose sharp and outspoken views earned him enemies and injured his chances for performance. (My apartment in Amsterdam was about six blocks from the Concertgebouw. After romanticizing the place for my entire life, I was pretty let down to find that it simply translates as "Concert Building.")
Zijn complete verhaal, met een knappe karakterisering van Vermeulens oeuvre, is te vinden op: http://www.artsjournal.com/postclassic/ (doorscrollen naar 3 januari).
 
Nederlandse 'fans' van Vermeulen
Veel eerder in hun leven dan Kyle Gann hebben Frans van Ruth en Doris Hochscheid de muziek van Vermeulen ontdekt en er liefde voor opgevat. Frans heeft in zijn jonge jaren de plaatopname door Anner Bijlsma en Reinbert de Leeuw van Vermeulens Eerste Cellosonate – naar eigen zeggen – "stuk gedraaid". Als vanzelfsprekend kwam het werk later op zijn repertoire. Hij speelde het met Doris in 2003 tijdens een concert in de Uilenburger Synagoge. Daar 'ging' ook Vermeulens Strijktrio waarin Doris de cellopartij voor haar rekening nam.
         In november 2006 stonden beide werken op het programma van het concert ter gelegenheid van de onthulling van Vermeulens borstbeeld (een mooie 'kop' van de hand van beeldend kunstenaar Trudie Broos) in Helmond. Toen kon de uitvoering van het Trio geen doorgang vinden wegens blessure van de altviolist. Maar Theo Inniger, directeur van 't Speelhuis, programmeerde het vervolgens voor november 2007. De strijkersformatie van het Amsterdam Bridge Ensemble (Jacobien Rozemond, Elisabeth Smalt en Doris Hochscheid) gaven er een prachtige vertolking van. Een week later brachten ze het stuk ten gehore tijdens een koffieconcert in Hoofddorp voor een 'gemiddeld' publiek dat geboeid naar Vermeulens idioom bleek te luisteren tussen Bach/Mendelssohn en Beethoven.
         Kon in een eerder stadium Vermeulens Eerste Cellosonate tot 'de klassieken' gerekend worden, sinds kort is dat ook het geval met zijn Strijktrio.
         Beide cellosonates van Matthijs Vermeulen maken deel uit van het grote opname- en documentatieproject dat onlangs door Frans van Ruth en Doris Hochscheid is gestart. Zie www.cellosonate.nl.
 
get the Flash Player
standaardweergave