“ Hier is symfonie enkel bedoeld als geordende constructie van zingend materiaal. ”
Matthijs Vermeulen

en fr de

LE BALCON voor mezzosopraan of tenor en piano (1944)
 
Nadat Vermeulen in januari 1944 de eindstreep had gezet van zijn Vijfde Symfonie, kwam hij verscheidene maanden niet tot creatieve arbeid, verlamd door zorgen om zijn zoon Josquin, wiens verzetsgroep langzaam door de Duitsers werd opgerold. Eind februari week Josquin naar Spanje uit. Ook de jongste zoon Donald verliet het huis om onder te duiken, zijn ouders in spanning achterlatend. Verstrooiing en inspiratie zoekend in de poëzie viel Vermeulens oog op een sonnet van Baudelaire, Le balcon waarin de dichter de voorbije momenten van geluk met zijn geliefde in herinnering roept. Vermeulen werd er onmiddellijk door getroffen: "Er greep mij iets aan in die vermurwde, donkere, gedempte, en toch intense, brandende toon. Hé, dacht ik, het zou interessant zijn om te proberen dat zó in muziek te noteren als de dichter zelf het voor zich uit gezegd moet hebben." Zoekend naar de verklanking van "die intonatie van gedempte extase, de verrukking die was en niet meer is, die overal weifelend, mijmerend natrilt", bereikte Vermeulen weer de geïnspireerde gemoedstoestand waarin hij zijn Vierde en Vijfde Symfonie had gecomponeerd. Hij voltooide het lied op 9 juni.
         De melodie van de zangstem van Le balcon is tot aan de slotregel overwegend syllabisch. Met minieme heffingen en dalingen (voornamelijk kleine en grote secundes, slechts sporadisch een terts of een kwart) en een voor Vermeulen opvallend eenvoudige ritmiek volgt zij de natuurlijke dictie van de tekst. De eerste twee strofen spelen zich grotendeels af in de lage ligging. Geleidelijk klimt de zangstem naar de hogere regionen om die in de laatste strofen niet meer te verlaten. De slotregel "O serments! ô parfums! ô baisers infinis!" vormt met de snelle melismen de gepassioneerde climax van het lied.
De pianopartij is van een grote complexiteit en harmonische rijkdom.
 
Le balcon
Charles Baudelaire
 
Mère des souvenirs, maîtresse des maîtresses,
Ô toi, tous mes plaisirs ! ô toi, tous mes devoirs !
Tu te rappelleras la beauté des caresses,
La douceur du foyer et le charme des soirs,
Mère des souvenirs, maîtresse des maîtresses !
 
Les soirs illuminés par l'ardeur du charbon,
Et les soirs au balcon, voilés de vapeurs roses.
Que ton sein m'était doux ! que ton coeur m'était bon!
Nous avons dit souvent d'impérissables choses
Les soirs illuminés par l'ardeur du charbon.
 
Que les soleils sont beaux dans les chaudes soirées !
Que l'espace est profond ! que le coeur est puissant !
En me penchant vers toi, reine des adorées,
Je croyais respirer le parfum de ton sang.
Que les soleils sont beaux dans les chaudes soirées !
 
La nuit s'épaississait ainsi qu'une cloison,
Et mes yeux dans le noir devinaient tes prunelles,
Et je buvais ton souffle, ô douceur ! ô poison !
Et tes pieds s'endormaient dans mes mains fraternelles.
La nuit s'épaississait ainsi qu'une cloison.
 
Je sais l'art d'évoquer les minutes heureuses,
Et revis mon passé blotti dans tes genoux.
Car à quoi bon chercher tes beautés langoureuses
Ailleurs qu'en ton cher corps et qu'en ton coeur si doux ?
Je sais l'art d'évoquer les minutes heureuses !
 
Ces serments, ces parfums, ces baisers infinis,
Renaîtront-ils d'un gouffre interdit à nos sondes,
Comme montent au ciel les soleils rajeunis
Après s'être lavés au fond des mers profondes ?
— Ô serments ! ô parfums ! ô baisers infinis !
 
 
get the Flash Player
standaardweergave