“ Duizendmaal liever is mij de bewondering. ”
Matthijs Vermeulen

en fr de

STRIJKKWARTET (1960-61)
 
Als schrijver over muziek heeft Vermeulen in menig artikel Schönbergs dodecafonie becommentarieerd. Hij beschouwde de reeksentechniek als een ernstige inperking van de vrijheid die deze componist zich aan het begin van de eeuw had veroverd toen hij zich losmaakte van de tonaliteit en functionele harmoniek. Vermeulen had grote bewondering voor grens-verleggende werken als de Fünf Orchesterstücke en Pierrot lunaire. Des te betreurenswaardiger vond hij het dat Schönberg later zijn heil had gezocht in een nieuwe, volgens Vermeulen dorre systematiek.
            Met zijn Strijkkwartet lijkt Vermeulen een muzikaal commentaar te leveren op de dodecafonie: door het ontwerpen van een groot aantal twaalftoon-melodieën die echter nergens in omkering of kreeft worden gebracht. Het is of Vermeulen daarmee wil zeggen: melodische inventiviteit staat bij mij voorop en de gelijkwaardigheid van alle tonen is ook gewaarborgd in de vrije atonaliteit zoals ik haar hanteer.
            Vermeulen begon de compositie (een opdracht van het Ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschap) medio januari 1960 en haalde de eindstreep op 27 juni 1961. Het werk is opgedragen aan het Amsterdams Strijkkwartet (Jeannelotte Herzberger, Rena Scholtens, Hans Dusoswa and René van Ast) "uit erkentelijkheid voor de jonge geestdrift en de onvervaarde zekerheid, waarmee de spelers het werk tegemoetkwamen en het zich eigen maakten".
            Bij de première op 15 december 1963 lichtte Vermeulen vorm en inhoud van zijn compositie als volgt toe:
            "Het werk heeft drie delen (snel – langzaam – snel), elk voorafgegaan door een korte inleiding, en gaat zonder onderbreking door. De snelle delen staan in 5/8 maat, het eerste met een ritme van 3 + 2, het laatste van 2 + 3. Het langzame deel staat in gewone maatsoorten.
            Alle vier partijen zijn sterk geïndividualiseerd en in hoge graad solistisch. Zij uiten zich in melodische tekeningen die meestal de vorm hebben van een volledige frase, min of meer scherp geprofileerd, overeenkomstig de situatie, maar steeds met persoonlijke inzet van de speler.
            Het muzikale discours wordt voortdurend hernieuwd zonder zijn onderwerp uit het oog te verliezen. Dit onderwerp, een psychisch gebeuren, laat zich niet met woorden beschrijven. Wel zijn aard, die hier eudemonisch is, goedgezind, actief, positief. En ook zijn bedoeling, die is de tijd op te schorten en de hoorder te verplaatsen in een passionerende, veilige tovertuin, dicht genoeg bij ieders innerlijke verlangens om ervaren te kunnen worden.
            De materia prima van dit werk is dezelfde als die ik vroeger gebruikt heb: de gamma van twaalf achtereenvolgende kleine seconden. In schrift kan zij zonder enige voortekening genoteerd worden op een balk van zes lijnen, aanvangend onder de eerste, en met onverschillig welke sleutel. Elke toon opzichzelf is volmaakt ongedetermineerd. Hij krijgt pas zin wanneer hij in verhouding gebracht wordt tot een of meer andere tonen, en aldus het begin legt van een coördinatenstelsel in klank dat zich volgens inherente regels voortbouwt. Men zou deze gamma pantonisch kunnen noemen. Zowel haar melodische als harmonische mogelijkheden zijn oneindig talrijk."
 
deel 1 begin en afsluiting 
 
deel 2 begin  en afsluiting 
 
deel 3 begin cijfer [42] en slot van het werk
 
 
get the Flash Player
standaardweergave