“ Hier is symfonie enkel bedoeld als geordende constructie van zingend materiaal. ”
Matthijs Vermeulen

en fr de

VIOOLSONATE (1924-25)
 
Vermeulens oeuvre geeft enige golfbewegingen te zien van eenvoudiger naar complexere werken, van composities waarin spanning en ontspanning elkaar geregeld afwisselen, naar stukken waarvan het gemiddelde van de spanning uitzonderlijk hoog is. Ook de eisen die de werken op speeltechnisch gebied stellen, fluctueren aanzienlijk. Van de kamermuziek zijn het de Vioolsonate en de Tweede Cellosonate die zich op de toppen van complexiteit, intensiteit en moeilijkheidsgraad bewegen en het uiterste van de executanten vergen. In beide werken moet de pianist over een wijde spreiding van de vingers beschikken.
         De Vioolsonate ontstond tussen 1 november 1924 en 3 april 1925. Zowel melodisch als harmonisch is de grote septiem een belangrijke bouwsteen. De samenklanken van de inleidende maten in de pianopartij bestaan uit dit interval en de viool begint zijn eerste frases ermee. Ook de tritonus (de overmatige kwart c.q. verminderde kwint) komt veelvuldig voor in de melodie. In het tweede deel fungeert de kleine none (het 'complement' van de grote septiem) als bouwsteen in melodiek en harmoniek.
         Kenmerkend voor dit werk zijn de ketens van meerdere, overwegend korte zinnen die paarsgewijs aan elkaar verwant zijn. Dit procédé van gevarieerde herhaling is behalve in Vermeulens muziek ook in zijn taal aan te wijzen.
         Ten aanzien van de muzikale architectuur van het tweede deel van de sonate is een opvallend verschijnsel te melden. Bijna de helft wordt in beslag genomen door een groots opgezette passacaglia: tien maal achtereen klinkt in de bas van de piano éénzelfde patroon in lange notenwaarden. Ook de viool laat dat thema horen, maar dan in hoge ligging. Geleidelijk klinken meer en meer tegenstemmen met snelle noten, waarbij de violist lastige dubbelgrepen te spelen heeft. Daarna krijgt lyriek weer de overhand in een lange canon tussen de viool en de piano-bas die elkaar op een afstand van anderhalve maat volgen.
         Tegen het einde van het werk lost de spanning op in een Très lent waar de instrumenten met elkaar dialogeren in uitgesponnen melodieën die verscheidene malen naar een tooncentrum terugkeren. Het slot brengt de harmonieën van het begin.
         Hardnekkige pogingen zowel in Frankrijk (door Nadia Boulanger en Henri Prunières) als in Nederland (door Daniël Ruyneman) om het werk gespeeld te krijgen, evenals een poging (door Willem Pijper) om het gedrukt te krijgen bij Oxford University Press, waren vruchteloos. De componist moest tot 1963 wachten op de eerste uitvoering. Jeannelotte Hertzberger en Maarten Bon verzorgden de première van de Vioolsonate tijdens een concert dat op 11 februari van dat jaar plaats vond in de aula van het Stedelijk Museum ter gelegenheid van Vermeulens vijfenzeventigste verjaardag.
 
 
get the Flash Player
standaardweergave