“ Zodra muziek Schoonheid is, bestaat er geen onderscheid van oude en nieuwe methoden, van gewoonte of ongewoonte, van moeilijk of gemakkelijk voor de hoorder. Dan wordt zij natuurkracht. ”
Matthijs Vermeulen

en fr de

VIJFDE SYMFONIE LES LENDEMAINS CHANTANTS (1941-1944)
(alle luisterfragmenten zijn ontleend aan een live-opname van de uitvoering door het Radio Filharmonisch Orkest o.l.v. Ingo Metzmacher tijdens het Holland Festival van 1997, geprogrammeerd door Jan van Vlijmen)
 
Met zijn Vijfde Symfonie is Vermeulen een nieuwe weg ingeslagen. Hij hanteert er een compositieprincipe in dat voor zijn latere werk steeds bepalender is geworden: de permanente variatie van melodische gegevens. Het eerste en tweede deel van de symfonie zijn ieder op één thema gebouwd waarvan elementen worden verwerkt in een aaneenschakeling van lange, zich telkens vernieuwende melodieën. Vermeulens argument was het panta rhei uit de Griekse filosofie: alles stroomt en men baadt zich niet tweemaal in dezelfde stroom.
         Naast verscheidenheid en afwisseling streefde Vermeulen ook naar organische eenheid. Die eenheid waarborgt hij door middel van motivische relaties tussen de thema's van de delen. Als men ze alle vijf (de finale heeft er drie) op een rij zet, vallen de overeenkomsten op. Tevens verbinden de thema's de delen onderling. De stijgende grote sext en stijgende grote septiem bijvoorbeeld waarmee het Adagio opent, vormen de aanhef van een twaalftonige melodie die viermaal achtereen, met kleine variaties in het ritme, tot klinken komt als apotheose van het derde deel. Volgens onderstaande toelichting van de componist geven zij de bevestiging "dat een visie, ontworpen in het Adagio, verwezenlijkt kan worden".
         In de Vijfde Symfonie zet Vermeulen een tendens voort die in de Vierde Symfonie is begonnen: de vorming van melodieën met een zodanige lengte dat zij door verschillende instrumenten moeten worden overgenomen in een estafette-systeem dat uitvoeringstechnisch bijzondere eisen stelt. De subtiele, weloverwogen wisselingen van klankkleur echter verlenen Vermeulens orkestratie een extra dimensie.
         Voor de première op 12 oktober 1949 door het Concertgebouworkest onder leiding van Eduard van Beinum schreef Vermeulen de volgende toelichting:
 
"De Vijfde Symfonie [...] werd begonnen op een october-avond van 1941, in de donkerste diepte van de tunnel die oorlog heet. De titel Les lendemains chantants is ontleend aan de brief, welke een der grote leiders van de Franse Résistance [de communistische journalist en politicus Gabriel Péri] als afscheid en als vaarwel schreef, alvorens gefusilleerd te worden na gefolterd te zijn geweest. De componist vernam die woorden door de radio. Zij maakten zich van hem meester, en vormden een gemoedsgesteltenis, die sterk genoeg was om in het midden van de duisternis te pogen door muziek iets te vertolken van die zingende morgens ener gelukkige toekomst.
         Het werk bestaat uit drie delen (snel - langzaam - snel) en werd voltooid tijdens de winter die aan 1945 voorafging.
         Na een korte, onstuimige aanloop der bassen, en op hun donkere achtergrond, zetten de hoorns het hoofd-thema in:
 
Het gehele eerste deel is gebouwd op deze centrale gedachte. Zij verschijnt in talrijke gestalten, maar overal gemakkelijk herkenbaar, en wordt afgewisseld door vele episoden, alsof zij een reis doet langs een horizon van melodische mogelijkheden, die verband houden met haar gezindheid, en meestal eruit voortkomen. Allengs, geleidelijk of bij sprongen, voert zij naar een culminatiepunt van de dithyrambische energieën, welke zij losmaakte. Zij klinkt nog bij de laatste maten na, als een echo.
         In het Adagio heeft de componist getracht een invocatie te richten tot de liefde, en enigszins uit te drukken wat zij kan geven en hoe zij zou kunnen zijn in muziek. Dit deel is een reeks van zangen en tegenzangen, gegroepeerd rondom het thema, dat in de stilte van het begin wordt aangeheven door de tenorsaxofoon:
 
Als de componist de bedoeling die hem bewoog heeft kunnen verwezenlijken, zal de muziek gradueel moeten opklimmen  en medenemen naar een gebied waar alles hoogste goedheid is, volgens de wensen der kracht die wordt aangeroepen.
         Bij het derde deel van de symfonie moest de componist logischerwijze proberen de consequenties en conclusies te trekken uit de vorige gegevens. De mens is betrekkelijk en blijft ongerust nog aarzelen, zelfs wanneer het uitzicht helder voor hem open staat. De zekerheden, die hij zag, heeft hij niet meer te veroveren. Zij liggen in zijn onmiddellijk bereik. Maar (wat veel moeilijker is) hij heeft ze te bevestigen. Drie thema's, omringd door verscheidene andere, pogen beurtelings dat verlangen en die veiligheid uit te spreken.
         Een eerste thema dat nog zoekt en aarzelt:
 
         Een tweede dat elke weifeling wil opheffen:
           Een derde dat voorwaarts drijft:
          Het tweede thema domineert en leidt naar een evenwichtig einde, naar een kalme affirmatieve besluiting, die zou willen zeggen, dat een visie, ontworpen in het Adagio, verwezenlijkt kan worden.
         Zo is de psychologische inhoud en progressie van de Vijfde Symfonie, gelijk de componist zich die a posteriori voorstelt, terwijl hij nadenkt over zijn werk, dat hij, te midden van het ongeluk, schreef als in een droom, waarover hij zich nu verbaast, maar die werkelijkheid voor hem was, en ondanks alles een verkrijgbaar geluk beaamt."
 
 
get the Flash Player
standaardweergave