“ Onder alle ervaringen van de aarde zou enkel de liefde kunnen wedijveren met goede muziek. Maar gelukkig, zij completeren elkaar. Zij vermeerderen zelfs elkaar.  ”
Matthijs Vermeulen

en fr de

Vermeulen heeft in zijn componeren altijd de melodie centraal gesteld. Zijn symfonieën geven dan ook van begin tot eind een stroom van melodieën te horen met een zeer diverse verschijningsvorm en karakter. Het merendeel is 'asymmetrisch', volgens het principe van de 'vrije declamatie': meestal verschillen de melodische curve en de lengte van twee opeenvolgende zinnen. En dikwijls rijgt Vermeulen lange melismen aaneen tot een continu doorlopende melodie, waarin iedere herinnering aan periodebouw ontbreekt.
         Opvallend zijn de vele passages met vrije ritmiek, die door antimetrische figuren en overbindingen aan de vaste indeling van maatsoorten zijn ontstegen. Daar staan elders weer korte, bondige melodieën tegenover, met een duidelijke puls.
         Kenmerkend is de geraffineerde climaxwerking en de afwisseling tussen spanning en ontspanning, veelal door de harmoniek ondersteund.
         In zijn geschriften trekt Vermeulen een parallel tussen melodie en individu: "De melodie is een in tonen uitgesproken gemoedsbeweging." In Vermeulens gedachtegang krijgt een meerstemmige, polymelodische compositie de betekenis van een klinkende representatie van een samenleving. Door het combineren van meerdere zelfstandige melodieën geeft hij als componist uiting aan de wens die hij voor de samenleving koesterde: dat ieder individu zich vrij zou kunnen uiten en ontwikkelen, zonder inbreuk te plegen op de ontplooiings-mogelijkheden van anderen.
         Vrijheidszin en vernieuwingsdrang inspireerden Vermeulen al vroeg tot het overboord zetten van de tonaliteit en het afwijzen van de traditionele vormschema's. In de Eerste Cellosonate (1918) breekt bij vlagen de ongebonden atonaliteit door die vanaf de Tweede Symfonie (1919-1920) melodiek en harmoniek van zijn oeuvre bepaalt. In tegenstelling tot Schönberg koos Vermeulen niet voor een nieuw regulerend systeem, maar werkte hij louter vanuit de thematische gegevens aan een zowel door de intuïtie geleide als logische ontwikkeling van het materiaal. Zijn symfonieën (en dat geldt tevens voor zijn kamermuziek) verschillen dan ook aanzienlijk in bouw. Toch hebben ze een gemeenschappelijke lading van kracht, energie, lyriek en meeslependheid, voortvloeiend uit het doel dat Vermeulen voor ogen stond: net als de meesters uit vroegere perioden componeren als loflied op de schoonheid der aarde en de verwondering over het leven, muziek scheppen die appelleert aan de spiritualiteit van de mens, die hem geluksgevoelens schenkt en in contact brengt met de bron van het leven, de Scheppende Geest. Deze hooggestemde idealen, onder woorden gebracht in het boek Princiepen der Europese muziek en talloze artikelen, stonden haaks op de heersende stromingen van zijn tijd, zodat Vermeulen geen navolgers of leerlingen had.
         Los van de esthetisch-ethische 'boodschap' bieden Vermeulens symfonieën een ingenieus samenspel van melodieën, een kleurrijke orkestklank met vele instrumentatie-vondsten, fascinerende klankvelden, innoverende parallelharmoniek en boeiende canontechniek.
 
Uitspraken van Matthijs Vermeulen zelf over zijn esthetiek/ethiek (poëtica) van het componeren zijn te vinden in zijn toelichting bij de Zesde Symfonie.
 
 
get the Flash Player
standaardweergave